ECLI:NL:RBDHA:2023:20304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
21 december 2023
Zaaknummer
NL23.28564
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, eerste, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring op grond van Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, met verwijzing naar zware gronden waaronder het niet naleven van een aanzegging om Nederland te verlaten.

Eiser betwistte één van de zware gronden, namelijk dat hij niet aan de aanzegging had voldaan, door te stellen dat hij twee weken in Duitsland verbleef en daar bestendig verblijf had opgebouwd. De rechtbank oordeelde dat deze verklaring onvoldoende werd onderbouwd met bewijsmiddelen en verwierp het verweer. Ook de overige zware gronden werden als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeeld.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en dat de gronden voldoende waren om het risico van onttrekking aan toezicht aannemelijk te maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.28564
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Berben).

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.I. Dandov. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Hongaarse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2023.
De gronden van de maatregel
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de zware grond 3c betwist. Hij stelt dat hij gevolg heeft gegeven aan de aanzegging uit het besluit van 18 april 2023 om Nederland te verlaten. Volgens eiser heeft hij twee weken in Duitsland verbleven en heeft hij daar bestendig verblijf opgebouwd.
4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft zijn verklaring over zijn verblijf in Duitsland en het bestendige verblijf dat hij daar zou hebben opgebouwd niet met enig bewijsmiddel onderbouwd. De enkele verklaring dat hij twee weken in Duitsland heeft verbleven, is onvoldoende om ervan uit te gaat dat hij indertijd zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De zware grond 3c is daarmee feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
5. Dat laatste geldt ook voor de zware gronden 3b. De zware gronden 3b en 3c zijn al voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom al dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is,1 is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet op enig moment onrechtmatig was.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
1. ECLI:EU:C:2022:858.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 september 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.