ECLI:NL:RBDHA:2023:2032
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen ambtshalve toekenning kinderbijslag over verleden periode
Eiseres, moeder van vijf kinderen, ontving kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor de periode juni 2014 tot en met maart 2015. Na een eerdere herziening en terugvordering van kinderbijslag over maart 2014 tot oktober 2015, waarbij eiseres geen bezwaar maakte, kende de SVB ambtshalve opnieuw kinderbijslag toe voor juni 2014 tot maart 2015 op grond van Europese regelgeving en informatie over het werk van de ex-partner in Nederland.
Eiseres stelde dat het primaire besluit een herziening was van het eerdere besluit en dat de bewijslast bij de SVB lag om aan te tonen dat zij geen recht had op kinderbijslag voor de overige maanden in geschil. De rechtbank oordeelde dat het om een buitenwettelijk begunstigend beleid ging waarbij de SVB niet verplicht was tot toekenning, en dat de bewijslast niet bij de SVB lag.
De rechtbank concludeerde dat de door eiseres overgelegde stukken onvoldoende bewijs boden dat de ex-partner in de betwiste maanden in Nederland werkte. Ook het feit dat zij geen bezwaar maakte tegen het eerdere besluit en geen herzieningsverzoek indiende, speelde mee. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het ambtshalve ten voordele terugkomen van kinderbijslag is ongegrond verklaard.