ECLI:NL:RBDHA:2023:20422

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
22 december 2023
Zaaknummer
NL23.35571 en NL23.35572
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.M. Kuipers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 17 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Tevens verzocht eiser om een voorlopige voorziening.

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 12 december 2023. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig, de staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

De rechtbank oordeelde dat de aangevoerde omstandigheden door eiser, waaronder een vechtpartij in Duitsland en angst voor confrontatie met belagers, niet zodanig bijzonder waren dat de staatssecretaris het asielverzoek in behandeling had moeten nemen. Eiser had zijn verklaring onvoldoende onderbouwd en kon zich wenden tot Duitse autoriteiten. Ook de wens van eiser om in Nederland behandeld te worden, was niet doorslaggevend.

Omdat het beroep ongegrond werd verklaard, was een voorlopige voorziening niet nodig. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35571(beroep) en NL23.35572 (voorlopige voorziening)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),

en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. N. schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank, ook in de hoedanigheid van voorzieningenrechter, heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 12 december 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaken ter zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

Ten aanzien van zaak nummer NL23.35571(beroep)
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
zaaknummer: NL23.35571 en NL23.35572
2
2. De staatssecretaris heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat hij in Duitsland een vechtpartij heeft gehad met een groep jongeren en angst heeft om na terugkeer te worden geconfronteerd met zijn belagers.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Met de staatssecretaris is de rechtbank van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder dat de staatssecretaris zijn asielaanvraag in behandeling had moeten nemen. Eiser heeft zijn verklaring niet onderbouwd en los daarvan geldt dat eiser bij voorkomende problemen de Duitse (hogere) autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties kan benaderen. Eiser heeft niet betwist dat de Duitse autoriteiten hem niet willen of kunnen beschermen tegen de gestelde belagers. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Voor zover eiser stelt dat de staatssecretaris heeft nagelaten acht te slaan op zijn uitdrukkelijke wens om hier in Nederland zijn asielaanvraag behandeld te zien, volgt de rechtbank eiser daarin evenmin. Zoals de staatssecretaris ook heeft toegelicht, is in zaken als deze – waarbij het gaat om de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming – niet de intentie van een vreemdeling doorslaggevend. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond.
Ten aanzien van zaaknummer NL23.35572 (voorlopige voorziening)
7. Omdat de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaart, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Ten aanzien van beide zaaknummers
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2023 door mr. M.M. Kuipers, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
zaaknummer: NL23.35571
3
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
19 december 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.