ECLI:NL:RBDHA:2023:20548

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2023
Publicatiedatum
22 december 2023
Zaaknummer
NL23.29189
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskosten na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen asielaanvraag

Verzoeker heeft tweemaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 2 januari 2022. Op 22 november 2023 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag alsnog ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Vervolgens heeft verzoeker bij brief van 24 november 2023 de rechtbank verzocht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat een zitting niet nodig is en het onderzoek gesloten. De brief van verzoeker is opgevat als intrekking van het beroep. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris geheel aan het beroep tegemoet is gekomen door alsnog een besluit te nemen.

Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in het verzoek proceskosten toewijzen. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 418,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een wegingsfactor 'licht' vanwege de beperkte aard van het beroep.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29189

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 14 september 2023 voor de tweede keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 2 januari 2022.
Bij besluit van 22 november 2023 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van verzoeker ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verzoeker heeft bij brief van 24 november 2023 de rechtbank verzocht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De staatssecretaris heeft niet op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. De rechtbank begrijpt de brief van 24 november 2023 van (de gemachtigde van) eiser aldus dat hij het beroep intrekt. In die brief heeft eiser de rechtbank verzocht om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in de procedure niet tijdig beslissen.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Nu de staatssecretaris niet binnen de daarvoor geldende termijn een besluit op de aanvraag van verzoeker heeft genomen en deze aanvraag hangende een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is de staatssecretaris geheel aan het beroep van verzoeker tegemoetgekomen.
5. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 837,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt.