ECLI:NL:RBDHA:2023:20578

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 november 2023
Publicatiedatum
22 december 2023
Zaaknummer
Nl23.18743
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 32, aanhef en onder a, onder ii VisumcodeArtikel 32, aanhef en onder b VisumcodeArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 4:17, lid 6, aanhef en onder c Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst

Eiseres, een Marokkaanse vrouw geboren in 1967, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om haar schoondochter in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van twijfel over het voornemen van eiseres om het Schengengebied tijdig te verlaten, vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.

Eiseres voerde aan dat zij voldoende sociale binding heeft met haar land van herkomst en dat de motivering van de afwijzing gebrekkig is. Ook stelde zij dat haar hoorplicht was geschonden en dat zij recht had op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht twijfelde aan het vertrek voor het verstrijken van het visum, omdat eiseres geen kinderen heeft, geen zorg draagt voor familie in Marokko, geen betaalde arbeid verricht en geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft. De geboden waarborgen zoals het afgeven van haar paspoort en meldplicht bij de vreemdelingenpolitie konden het oordeel niet beïnvloeden. De rechtbank verwierp ook het beroep op schending van de hoorplicht en vond dat de afwijzing van het bezwaar terecht was, waardoor geen dwangsom verschuldigd is.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18743

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van een visum kort verblijf van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 november 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is op [geboortedag] 1967 geboren in Marokko en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft op 27 september 2022 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een visum voor kort verblijf voor het bezoeken van haar schoondochter in Nederland, mevrouw [naam] (referente).
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond [1] en er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres het Schengengrondgebied [2] te verlaten vóór het verstrijken van het visum. [3]
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Het oordeel van verweerder ten aanzien van de sociale en economische binding met het land van herkomst is onjuist. Er is voldoende sociale binding met Marokko, waardoor er geen redelijke twijfel kan bestaan dat eiseres vóór het verstrijken van het visum naar Marokko terugkeert. Voorts is de motivering in het bestreden besluit gebrekkig, omdat verweerder de standpunten in het eerste besluit herhaalt in het bestreden besluit. Verder is er geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en is er in dat licht sprake is van een schending van de hoorplicht. [4] Tot slot is er recht op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Sociale en economische binding met het land van herkomst
5. De rechtbank stelt voorop dat bij het onderzoek of een van de weigeringsgronden van de Visumcode kan worden tegengeworpen, aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toekomt [5] en dat het op de weg van eiseres ligt om aannemelijk te maken dat er geen redelijke twijfel bestaat over het verblijfsdoel en het voornemen Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. Voorts geldt voor wat betreft de sociale en economische band met het land van herkomst dat er blijk moet zijn van voldoende impulsen om na afloop van het visum terug te keren naar het land van herkomst. De beoordeling daarvan wordt zoveel mogelijk beperkt tot objectieve gegevens.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres het Schengengrondgebied te verlaten vóór het verstrijken van het beoogde visum wegens een onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst van eiseres. Verweerder heeft voor wat betreft het ontbreken van een voldoende sociale binding met Marokko mogen betrekken dat eiseres getrouwd is met een Nederlandse man, zij geen kinderen heeft en geen zorg draagt voor achtergebleven familieleden – zoals voor haar hoogbejaarde moeder – in Marokko. Bovendien is geen blijk van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen tijdig naar Marokko terug te keren. De standpunten van eiseres, namelijk dat zij al haar hele leven lang in Marokko heeft gewoond, zij daar familie en vrienden heeft, niet geschoold is en geen Nederlands of een andere vreemde taal kent, zijn niet voldoende om in redelijkheid iets af te kunnen doen aan het oordeel van verweerder. Ook de waarborgen die eiseres ter zitting heeft genoemd om het Schengengrondgebied vóór het verstrijken van het visum te verlaten, waaronder het afgeven van haar paspoort bij de vreemdelingenpolitie en dat zij zich één keer per week bij de vreemdelingenpolitie zal melden, kunnen niets afdoen aan het oordeel van verweerder. De Visumcode biedt geen ruimte aan verweerder om dergelijke waarborgen in zijn oordeel mee te nemen. Verweerder heeft voor wat betreft het ontbreken van een (voldoende) economische binding met Marokko mogen betrekken dat eiseres bij haar visumaanvraag heeft aangegeven een huisvrouw te zijn en dat zij geen betaalde arbeid verricht. Eiseres heeft niet aangevoerd dat zij wel een (voldoende) economische binding heeft met Marokko, zodat dat dit niet ter discussie staat. Verweerder heeft bovendien bij zijn beoordeling mogen meewegen dat de afgewezen mvv-aanvraag in rechte vaststaat en dat er wisselend is verklaard over de verblijfsduur van het voorgenomen bezoek van eiseres.
5.2.
Verweerder heeft, gelet op het bovenstaande, kunnen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres het Schengengrondgebied te verlaten vóór het verstrijken van het beoogde visum. Dat verweerder zich zowel in het eerste besluit als in het bestreden besluit op hetzelfde standpunt heeft gesteld leidt niet tot een motiveringsgebrek.
Hoorplicht
6. Het standpunt van eiseres dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden volgt de rechtbank niet. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [6] De rechtbank is van oordeel dat verweerder, daarbij bezien zijn beoordelingsruimte en de omstandigheid waarin eiseres niet heeft onderbouwd waarom zij wel economische binding heeft met haar land van herkomst, zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat van een dergelijke twijfel geen sprake was. Dat er, zoals ter zitting door eiseres is aangevoerd, onduidelijkheid bestond over de vertrekdata doet niets aan het oordeel van verweerder af. Er bestond immers geen onduidelijkheid ten aanzien van het ontbreken van (voldoende) economische en sociale binding met Marokko.
7. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de visumaanvraag van eiseres op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii en onder b van de Visumcode in redelijkheid mogen afwijzen.
Dwangsom wegens niet tijdig beslissen
8. Verweerder heeft, gelet op hetgeen hiervoor als genoemd is, zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat het bezwaarschrift van eiseres kennelijk ongegrond is. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eiseres geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. [7]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit vast blijft staan. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
griffier
rechter
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 32, aanhef en onder a, onder ii Visumcode.
2.Het grondgebied van de lidstaten waarin het Schengenacquis volledig wordt toegepast.
3.Artikel 32, aanhef en onder b, Visumcode.
4.Artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 (
6.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
7.Artikel 4:17, lid 6, aanhef en onder c van de Awb.