Eiser ontvangt sinds 2012 een Wajong-uitkering en wil met behoud daarvan in Duitsland wonen, waar zijn familie woont. Hij beroept zich op zijn afhankelijkheid van derden voor verzorging en het positieve effect van de verhuizing op zijn sociale situatie. Verweerder weigert dit op grond van het exportverbod en het ontbreken van zwaarwegende redenen.
De rechtbank stelt vast dat de door eiser genoemde omstandigheden niet onder de uitzonderingen van de hardheidsclausule vallen. De familie woont nooit in Nederland, er is geen medische noodzaak voor behandeling in het buitenland en eiser is niet aantoonbaar afhankelijk van zijn familie voor verzorging. De wens om in Duitsland te wonen berust vooral op een persoonlijke keuze.
De brief van de huisarts bevestigt niet dat er sprake is van een zodanige mentale gezondheidstoestand die een objectieve en dwingende noodzaak tot verhuizing oplevert. De rechtbank volgt de beleidsregels en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en verklaart het beroep ongegrond.