Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats 1], eiser
[derde-partij], uit [woonplaats 2] (ex-partner).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser en zijn ex-partner hadden in ouderschapsplannen afgesproken dat hun dochter [naam] gelijk bij beide ouders zou verblijven en op het adres van eiser zou zijn ingeschreven. Vanaf het derde kwartaal 2021 betaalde de Sociale verzekeringsbank (Svb) de kinderbijslag op een gezamenlijke rekening.
De ex-partner schreef [naam] echter in op haar adres per 14 juni 2021 en verklaarde dat het kind daar woont. Eiser stelde dat de afspraken uit het ouderschapsplan nog golden en dat de feitelijke situatie pas vanaf half december 2021 was gewijzigd. Verweerder stelde dat [naam] sinds maart 2020 meer bij haar moeder verbleef en dat er geen sprake meer was van co-ouderschap.
De rechtbank concludeert dat de niet-nakoming van het ouderschapsplan een bestendig karakter had gekregen op 1 juli 2021, mede op basis van een kortgedingvonnis en verklaringen van eiser zelf. De feitelijke situatie was daarmee leidend voor de beoordeling van het recht op kinderbijslag. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beroepen van eiser tegen de besluiten van de Sociale verzekeringsbank worden ongegrond verklaard.