ECLI:NL:RBDHA:2023:20863
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De aanvraag werd ingediend op 12 september 2022, waarna de staatssecretaris de beslistermijn verlengde met drie maanden, maar desondanks niet binnen de termijn heeft beslist. Eiser stelde de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke op 21 maart 2023 en diende het beroep op 5 september 2023 in, tijdig binnen de wettelijke termijnen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt op grond van artikel 8:55d van de Awb een termijn van twintig weken op waarbinnen de staatssecretaris alsnog een besluit moet nemen. Dit is een langere termijn dan de standaard twee weken, vanwege de bijzondere omstandigheden bij aanvragen om gezinshereniging bij houders van een asielvergunning. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag overschrijding van deze termijn.
Verder stelt de rechtbank vast dat de staatssecretaris reeds €1.442 aan bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd en veroordeelt hem tot betaling hiervan aan eiser. Ook worden de proceskosten van eiser vastgesteld op €418,50 en aan verweerder opgelegd. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twintig weken alsnog een besluit te nemen met oplegging van dwangsommen en proceskosten.