Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Den Haag die betrokken zijn bij vier procedures betreffende beëindiging van het gezag over zes minderjarige kinderen en benoeming van een voogd. Het verzoek was gebaseerd op vermeende partijdigheid door het niet volledig delen van een e-mail van de pleegvader, het niet verwijzen van de zaak naar een andere rechtbank ondanks betrokkenheid van een medewerker, de toelating van bepaalde personen tot de zitting en het afwijzen van een uitstelverzoek.
De wrakingskamer stelde vast dat hoewel het niet volledig delen van de e-mail ongelukkig was, dit niet leidde tot een gegronde vrees voor partijdigheid. De beslissing om de zaak niet te verwijzen was binnen de bevoegdheid van de rechtbank en gemotiveerd volgens het toepasselijke reglement. Ook was er sprake van hoor en wederhoor over deze beslissing. De toelating van de pleegvader en een minderjarige tot de besloten zitting was gerechtvaardigd en er waren geen onbevoegden aanwezig.
Ten aanzien van het uitstelverzoek oordeelde de wrakingskamer dat de rechters adequaat hadden gehandeld en dat het verzoek niet tot wraking kon leiden. Gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan een rechterlijke tussenbeslissing niet als grond voor wraking dienen. Het wrakingsverzoek werd derhalve afgewezen en de procedures worden voortgezet in de bestaande stand.