Eisers, een moeder en haar minderjarige zoon met Spaanse nationaliteit, verbleven sinds 2015 in Nederland. Verweerder stelde bij besluit vast dat zij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdanen hadden op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor werknemerschap of werkzoekende zijn. Tevens werd een verwijderingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd van reële en daadwerkelijke arbeid of een reële kans op werk. Ook het volgen van taallessen en inschrijving bij het UWV WERKbedrijf was onvoldoende om als werkzoekende te kwalificeren. De belangenafweging in het kader van de verwijderingsmaatregel woog zwaar in het nadeel van eisers, mede vanwege het langdurige substantieel beroep op de bijstand.
Hoewel eisers een aantal jaren in Nederland verbleven en de minderjarige hier naar school ging, waren er geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.