Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
voorwaardevoor (de voortzetting van) rechtmatig verblijf is in dit geval daarmee in strijd want het komt in eisers geval neer op een
beperkingvan de rechten van eiser die rechtstreeks uit het Verdrag voortvloeien [2] .
met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt verleend. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid om bestaand rechtmatig verblijf te beëindigen of een vergunning in te trekken wanneer niet langer sprake is van een geldig paspoort. Integendeel, de wetgever heeft het niet hebben van een geldig paspoort juist uitgezonderd als intrekkingsgrond voor een vergunning voor bepaalde tijd en heeft het bij een vergunning voor onbepaalde tijd evenmin als grond voor intrekking genoemd. De wetgever heeft het dus niet nodig gevonden om het niet langer hebben van een geldig paspoort als grond voor intrekking of beëindiging van rechtmatig verblijf te hanteren. Dit betekent dat eiser op grond van het Verdrag onverkort rechtmatig verblijf heeft en dat het niet hebben van een geldig paspoort dus ook geen reden is om eiser (voortzetting van zijn) rechtmatig verblijf te weigeren. De staatssecretaris was dus niet bevoegd met toepassing van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te weigeren omdat eiser niet over een geldig paspoort beschikt.