Op 4 mei 2022 raakte verzoeker betrokken bij een motorongeval waarbij hij schade opliep. Achmea erkende aansprakelijkheid en betaalde een deel van de schade uit. Verzoeker stelde buitengerechtelijke kosten van zijn gemachtigde Van Gurp ter discussie, waarbij het geschil ging over het uurtarief van €189,50 exclusief btw dat Van Gurp hanteerde. Achmea betaalde slechts een lager tarief van €100 exclusief btw.
Verzoeker vroeg de kantonrechter om een oordeel over de redelijkheid van het uurtarief in een deelgeschilprocedure. Achmea voerde verweer en stelde dat een dergelijk geschil niet geschikt is voor een deelgeschilprocedure omdat het niet bijdraagt aan het sluiten van een vaststellingsovereenkomst en feitelijk neerkomt op een incassoprocedure.
De kantonrechter oordeelde dat het geschil over het uurtarief dossieroverstijgend is en niet specifiek betrekking heeft op de afwikkeling van de schade van verzoeker. Omdat er geen verschil van inzicht is over de personenschade zelf en Achmea reeds betalingen heeft gedaan, draagt een beslissing over het uurtarief niet bij aan een vaststellingsovereenkomst. De deelgeschilprocedure is daarom niet de juiste weg en het verzoek wordt afgewezen.
De kosten van de procedure worden op nihil begroot omdat het verzoek niet volstrekt onnodig of onterecht was, maar de procedure wel onredelijk is geëntameerd. De kantonrechter spreekt de beschikking uit op 6 juni 2023.