ECLI:NL:RBDHA:2023:21222

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 september 2023
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
10549865 RP VERZ 23-50319
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • M.E. van Groeneveld-Stubbe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019aa Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aansprakelijkheid Action voor letsel door vallend Boeddhabeeld in winkel

Op 14 september 2023 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin een klant van Action Nederland B.V. aansprakelijkheid van de winkelketen vorderde wegens een ongeval in de winkel. De klant liep letsel op doordat een ander een zwaar Boeddhabeeld van het bovenste schap pakte en dit op het hoofd van de klant liet vallen terwijl deze gehurkt was.

De eiser stelde dat Action onrechtmatig handelde door zware producten op hoge schappen te plaatsen, waardoor een reëel gevaar ontstond. Tevens stelde hij dat Action tekortschiet in haar zorgplicht door het niet tegenhouden van de klant die het beeld liet vallen. Action voerde verweer dat zij geen aansprakelijkheid draagt omdat het ongeval voortkwam uit onvoorzichtig gedrag van een andere klant, wat niet voorzienbaar was.

De kantonrechter oordeelde dat Action niet aansprakelijk is. Het beeld was op 1,40 meter hoogte geplaatst, wat normaal is en geen bijzonder gevaar oplevert. Het onvoorzichtige handelen van de andere klant, die het beeld liet vallen terwijl de eiser gehurkt was, was een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarvoor Action niet aansprakelijk is. Ook het niet tegenhouden van de klant na het ongeval kon Action niet worden aangerekend.

De vordering tot aansprakelijkheid werd afgewezen. De kosten van de procedure werden begroot op €1.554,29, maar Action werd niet veroordeeld tot betaling daarvan, tenzij haar aansprakelijkheid alsnog wordt vastgesteld.

Uitkomst: De vordering tot aansprakelijkheid van Action wordt afgewezen wegens ontbreken van toerekenbare tekortkoming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage
MG/c
Zaaknummer: 10549865 RP VERZ 23-50319
Op 14 september 2023 is mr. M.E. van Groeneveld-Stubbe, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, overgegaan tot mondelinge behandeling in de zaak:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna aangeduid als [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. C. Moustaïne,
tegen
Action Nederland B.V.,
gevestigd te Zwaagdijk,
verwerende partij,
hierna aangeduid als Action,
gemachtigde: mr. R. Verburg.
Verschenen namens [verzoeker] is mr. G. Pranger namens de gemachtigde. Namens Action is verschenen [naam 1] (bedrijfsjurist), [naam 2] (vertegenwoordiger van de verzekeraar van Action) bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, heeft de kantonrechter mondeling uitspraak gedaan waarvan dit proces-verbaal een zakelijke weergave is.

1.Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met productie van 8 juni 2023;
  • het verweerschrift met producties.

2.Rechtsoverwegingen

2.1.
[verzoeker] is op [datum] 2021 tijdens het winkelen bij Action slachtoffer geworden van een ongeval. Niet in geschil is dat de toedracht van het ongeval als volgt is. [verzoeker] wilde een product van het onderste schap bekijken en bukte op dit product te pakken. Terwijl hij gehurkt bij het onderste schap zat, wilde een andere klant een Boeddhabeeld (van 4,5 kilo) pakken van het bovenste schap, direct boven het hoofd van verzoeker. Deze andere klant heeft het Boeddhabeeld laten vallen op het hoofd van [verzoeker] , waardoor hij letsel heeft opgelopen. De betreffende klant heeft direct daarna de Action verlaten, de gegevens van deze klant zijn niet bekend. Medewerkers van Action hebben [verzoeker] liggend aangetroffen en hebben een ambulance gebeld.
2.2.
[verzoeker] stelt dat Action aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en vordert een verklaring voor recht waarbij deze aansprakelijkheid wordt vastgesteld.
2.3.
Aan dit verzoek legt hij ten grondslag dat Action gevaarzettend heeft gehandeld door een zwaar Boeddhabeeld in het bovenste schap in plaats van in het onderste schap te plaatsen. Daardoor ontstaat een reële kans op (hevige) schade Een andere klant kan immers een zwaar product van het bovenste schap pakken en uit de handen laten glippen met alle gevolgen van dien. Ook kunnen zware producten van het bovenste schap vallen nadat deze niet goed zijn teruggezet. Het treffen van maatregelen, te weten het plaatsen van zware voorwerpen op de laagste schappen, is niet bezwarend zodat het nemen van deze maatregel van Action had mogen verwacht, aldus [verzoeker] .
2.4.
Subsidiair stelt [verzoeker] dat Action de op haar rustende zorglicht heeft geschonden door niet te voorkomen dat de klant die het beeld liet vallen de winkel verliet, waardoor [verzoeker] de kans is ontnomen deze klant te identificeren en de schade op deze klant te verhalen.
2.5.
Action voert verweer en wijst aansprakelijkheid van de hand. Zij stelt dat zij bij de inrichting van haar winkels er niet redelijkerwijs rekening mee had moeten houden dat een klant terwijl een andere klant iets van het onderste schap pakt boven deze klant reikt om een product van een schade recht daarboven te pakken, daarbij onvoldoende oplettend of voorzichtig is waardoor deze het product niet goed vastpakt en dit precies boven de ander laat vallen. De kans dat dit gebeurt is klein en Action zijn dan ook geen vergelijkbare gevallen bekend. Het beeld stond bovendien op een schap van 1,40 meter hoog, waardoor dit vanuit staande positie goed beetgepakt kan worden zodat dit geen bijzonder gevaar in het leven roept voor klanten.
2.6.
Dat zij onzorgvuldig zou hebben gehandeld door de klant die het beeld liet vallen niet staande te houden wordt door Action eveneens betwist. Action was daartoe niet gehouden en overigens ook niet bevoegd. [verzoeker] zelf wist niet direct na het ongeval wat er aan de hand was en voor de medewerkers was dat ook niet direct duidelijk.
2.7.
De kantonrechter overweegt als volgt.
2.8.
Vast staat dat het ongeval niet is ontstaan doordat het Boeddhabeeld spontaan van het bovenste schap is gevallen, maar doordat een andere klant het Boeddhabeeld wilde pakken terwijl [verzoeker] daaronder op zijn hurken zat. Voor de vraag of Action daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld is bepalend of een ander aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. Daarbij dient te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (HR 5 november 1965, NJ 1966/136, Kelderluik).
2.9.
Gelet op deze criteria is de kantonrechter van oordeel dat Action niet aansprakelijk is voor het ongeval dat [verzoeker] is overkomen. Niet betwist is dat het Boeddhabeeld zo’n 4,5 kilo woog en dat dit beeld op een schap stond dat zich op een afstand van 1,40 meter van de grond bevond. Dit betekent dat het Boeddhabeeld voor een staand persoon eenvoudig is te pakken zonder dat dit een bijzonder gevaar oplevert. Dit kan anders zijn wanneer je een dergelijk beeld pakt als iemand gehurkt onder dit schap zit, zoals de betreffende klant in dit geval heeft gedaan. Deze klant had zich naar het oordeel van de kantonrechter moeten realiseren dat het verstandig was geweest om te wachten met het pakken van het beeld totdat [verzoeker] zich aldaar had verwijderd. Dat betekent echter niet dat Action aansprakelijk is voor het onvoorzichtige gedrag van haar andere klant. Action hoefde er naar het oordeel van de kantonrechter namelijk geen rekening mee te houden dat deze klant dit zou doen, laat staan dat zij er rekening mee had moeten houden dat die klant het beeld ook nog eens zou laten vallen en wel precies op het hoofd van [verzoeker] . Naar het oordeel van de kantonrechter is hier sprake van een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarvoor Action niet aansprakelijk kan worden gehouden.
2.10.
Dat Action de klant niet heeft tegengehouden toen deze direct na het ongeval de winkel verliet, leidt eveneens niet tot aansprakelijkheid avn Action. Immers, het ligt voor de hand dat de medewerkers van Action niet meteen duidelijk was wat er aan de hand was en dat zij zich eerst bekommerd hebben om [verzoeker] . Nu de klant de winkel direct heeft verlaten was het voor de medewerkers van Action niet mogelijk deze klant tegen te houden, nog daargelaten of zij daartoe gehouden waren. Van onrechtmatig of onzorgvuldig handelen van deze medewerkers is geen sprake.
2.11.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek van [verzoeker] worden afgewezen.
2.12.
Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van deze procedure dient te begroten. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12). In dat geval kan begroting van de kosten achterwege blijven.
2.13.
De kantonrechter is van oordeel dat van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure in dit geen geval sprake is. Er zal dus worden overgaan tot begroting van de kosten.
2.14.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft de kosten van het deelgeschil begroot op in totaal
€ 1.539,12, inclusief 6% kantoorkosten en 21% btw. De kantonrechter acht de aan de zaak bestede kosten niet bovenmatig en acht de verzochte kosten redelijk, met dien verstande dat de kantoorkosten zullen worden afgewezen. Ten aanzien van deze kantoorkosten overweegt de kantonrechter dat voor de nog gehanteerde opslag voor kantoorkosten in de huidige tijd geen ruimte meer is, zeker wanneer sprake is van particuliere cliënten aan wie voldoende transparantie over de te verwachten kosten dient te worden geboden. Dit betekent dat de kosten zullen worden begroot op € 1.466,29 (inclusief btw), waarbij nog dient te worden opgeteld het griffierecht van € 86,00 zodat de totale kosten worden begroot op € 1.554,29.
2.15.
Aangezien de aansprakelijkheid van Action niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en Action niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door Action te worden betaald als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.

3.Beslissing

De kantonrechter
3.1.
begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 1.554,29 (inclusief btw en griffierecht);
3.2.
wijst het verzochte af.
Uitgesproken door kantonrechter mr. M.E. Groeneveld-Stubbe ter openbare terechtzitting van 14 september, in bijzijn van de griffier.