ECLI:NL:RBDHA:2023:21226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2023
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
NL23.24898 en NL23.24899
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning wegens verblijf in Oostenrijk niet-ontvankelijk verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag volgens het Dublin-verdrag.

De rechtbank constateert dat de Oostenrijkse autoriteiten hebben bevestigd dat eiser zich al in Oostenrijk bevindt en dat hij op 29 mei 2023 met onbekende bestemming uit Nederland is vertrokken. Eiser heeft in zijn beroepsgronden niet betwist dat hij in Oostenrijk verblijft en heeft geen contact met zijn gemachtigde onderhouden.

Op grond van vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder mededeling met onbekende bestemming vertrekt, geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. De rechtbank concludeert daarom dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Hierdoor verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard, en er worden geen proceskosten toegewezen.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter en griffier van de rechtbank Den Haag op 10 november 2023.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.24898 en NL23.24899
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 augustus 2023 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

2. Bij bericht van 11 juli 2023 hebben de Oostenrijke autoriteiten aan verweerder laten weten dat eiser zich al in Oostenrijk bevindt en dat een overdracht dus niet meer nodig is. Daarbij is in het voornemen vermeld dat uit informatie van het COA is gebleken dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. In het bestreden besluit is vermeld dat deze informatie door de AVIM is bevestigd.
3. Ambtshalve dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over zijn beroep. Immers is gebleken dat het overdrachtsbesluit reeds is geëffectueerd, aangezien eiser zich blijkens een melding van de Oostenrijkse autoriteiten van 11 juli 2023 al in Oostenrijk bevindt. Daarbij is eiser op
29 mei 2023 met onbekende bestemming vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft echter over beide omstandigheden niets vermeld in de beroepsgronden.
4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] dient, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
5. De gemachtigde van eiser heeft in de beroepsgronden niet betwist dat eiser reeds in Oostenrijk verblijft en niet gesteld dat er nog contact met eiser is. De rechtbank gaat er onder de gegeven omstandigheden vanuit dat eiser geen aanspraak meer wenst te maken op de door hem gezochte bescherming in Nederland en derhalve op een behandeling van het door hem ingestelde beroep. Dat betekent dat eiser geen procesbelang heeft.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft en dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
8. Omdat met deze uitspraak het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Ook dat verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van A.E. Wadman, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.