ECLI:NL:RBDHA:2023:21237

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
NL23.32840 en NL23.32841
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17, eerste lid, DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat

Eiser, met de Ugandese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser stelde dat overdracht aan Frankrijk zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro vanwege tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem, onderbouwd met rapporten, Duitse jurisprudentie, medische dossiers en persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd die een reëel risico op schending van deze rechten aannemelijk maken.

De rechtbank benadrukte het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij wordt uitgegaan van de naleving van verplichtingen door andere lidstaten. Ook de psychische problematiek van eiser werd niet als voldoende reden gezien om de aanvraag inhoudelijk te behandelen, mede omdat medische voorzieningen in Frankrijk vergelijkbaar zijn met die in Nederland.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.32840 en NL23.32841
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 oktober 2023 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [2] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Ugandese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat Frankrijk haar internationale verplichtingen niet zal nakomen ten aanzien van de asielprocedure en de opvangfaciliteiten, waardoor overdracht een schending met artikel 3 EVRM Pro [3] en artikel 4 van Pro het Handvest [4] zal opleveren. In het kader van de opvangfaciliteiten verwijst eiser naar een tweetal arresten [5] , het AIDA-rapport en een uitspraak van een Duitse rechtbank. Daarnaast stelt eiser getraumatiseerd te zijn vanwege zijn gender. Ter ondersteuning hiervan overlegt eiser twee Ugandese borgtochtbewijzen waaruit blijkt dat hij vanwege zijn gender gevangengenomen is, een medisch dossier waaruit blijkt dat eiser behandeld is voor hoofdletsel en twee e-mails van de broer van eiser. Voorts is eiser kwetsbaar, heeft eiser op Schiphol om psychische hulp gevraagd en is zijn Nederlandse medisch dossier bijgevoegd. Eiser stelt voorts dat uit het AIDA-rapport blijkt dat psychische hulp voor eiser in Frankrijk niet voorhanden zal zijn. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. De hoogste bestuursrechter heeft in april 2023 [6] nog bevestigd dat er ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Frankrijk een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat er aanleiding bestaat voor het oordeel dat er in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht geen opvang zal krijgen. Uit de laatste update van het AIDA-rapport kan weliswaar worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang van asielzoekers in Frankrijk, maar niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat in tegenstelling tot de eerdere uitspraken van de Afdeling [7] , eiser bij overdracht aan Frankrijk op voorhand een reëel risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest zal lopen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn overdracht aan Frankrijk, zonder het verkrijgen van garanties zoals aan de orde is in het arrest Tarakhel, strijdig zal zijn met artikel 3 EVRM Pro. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Frankrijk geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen.
5.2
Ook de door eiser gestelde psychische problemen zijn geen reden om het verzoek om internationale bescherming inhoudelijk in behandeling te nemen. De rechtbank is van oordeel dat uit het medisch dossier van eiser niet is gebleken van een zodanige psychische problematiek, dat overdracht aan Frankrijk een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zal opleveren. Hierbij is van belang dat de medische voorzieningen in Frankrijk van vergelijkbare kwaliteit als van die in Nederland worden geacht te zijn. Bovendien heeft Frankrijk met het claimakkoord gegarandeerd om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen, met inachtneming van de verschillende Europese richtlijnen. Dit claimakkoord heeft ook tot gevolg dat eiser aanspraak maakt op medische voorzieningen voor zijn psychische klachten. Bij voorkomende problemen betreffende de opvang- of medische voorzieningen in Frankrijk is het aan eiser om zich te beklagen bij de daartoe geëigende instanties, dan wel bij de (hogere) autoriteiten.
6. Tot slot heeft verweerder niet ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Verweerder heeft in het kader hiervan mogen oordelen dat niet is vastgesteld noch onderbouwd dat eiser vanwege zijn gender is getraumatiseerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, nu is beslist op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van A.E. Wadman, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Zie de arresten van het EHRM van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 en van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.