ECLI:NL:RBDHA:2023:21258
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs en redelijke twijfel terugkeer
Eiseres, een Surinaamse nationaliteit houdende vrouw, verzocht op 13 februari 2023 om een visum voor kort verblijf. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende aantoonde en er redelijke twijfel bestond over haar voornemen om tijdig terug te keren.
Eiseres voerde in beroep aan dat zij het doel en de omstandigheden wel voldoende had onderbouwd, onder meer door een liefdesrelatie met een referent in Nederland en sociale binding met Suriname. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres en referent geen objectief bewijs van hun relatie hadden overgelegd en dat de gestelde sociale en economische binding onvoldoende was aangetoond.
De rechtbank stelde dat de minister terecht redelijke twijfel had over het voornemen van eiseres om het Schengengebied tijdig te verlaten, mede vanwege het ontbreken van werk en inkomen in Suriname. Ook was het niet vereist dat de minister eiseres en referent in bezwaar hoorde, omdat geen nieuwe bewijsstukken waren aangeleverd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.