De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening van V.O.F. [verzoekster] tegen het besluit van de burgemeester van Den Haag om haar aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling te stellen. Dit besluit volgde op het ontbreken van voldoende onderbouwing van de financiering van de onderneming, een vereiste in het kader van de Bibob-toets.
De supermarkt is opgericht in juni 2021 en gevestigd aan de [straatnaam] te [plaats], een gebied waar vergunningsplicht geldt om de openbare orde en het ondernemersklimaat te beschermen. Verzoekster diende in juli 2023 een aanvraag in, waarop verweerder om aanvullende stukken vroeg. Ondanks meerdere uitstelverzoeken werden de gevraagde documenten niet volledig aangeleverd, waardoor de aanvraag buiten behandeling werd gesteld en exploitatie moest worden gestaakt.
Verzoekster stelde dat de investeringen voornamelijk uit privévermogen en familiebanden afkomstig waren, ondersteund door bankafschriften en mondelinge afspraken. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de stukken onvoldoende waren om de herkomst van het geïnvesteerde geld transparant te maken, met name over de financiering door de zus van een vennoot en geldstromen met een eerdere onderneming.
Het belang van verweerder om te voorkomen dat de onderneming met crimineel geld wordt gefinancierd, woog zwaarder dan het belang van verzoekster bij voortzetting. Het bezwaar van verzoekster werd daarom geen redelijke kans van slagen toegedicht, en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verzoekster kreeg het betaalde griffierecht niet terug en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.