ECLI:NL:RBDHA:2023:21436
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser, een Bengaalse student, kreeg op 15 januari 2021 een verblijfsvergunning voor studie, geldig tot 1 december 2025. Verweerder trok deze vergunning per 1 september 2021 in omdat de onderwijsinstelling eiser had afgemeld, waardoor deze niet langer als erkend referent fungeerde.
Eiser voerde aan dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en dat verweerder niet alle individuele omstandigheden had betrokken, mede vanwege de nog lopende implementatietermijn van Richtlijn 2016/801. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de bevoegdheid had uitgeoefend op grond van artikel 21, tweede lid, onder f van de Richtlijn en dat het toezicht op studievoortgang bij de onderwijsinstelling ligt.
De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende gemotiveerd had waarom geen bijzondere omstandigheden tot afwijking van het beleid aanleiding gaven en dat het evenredigheidsbeginsel niet leidde tot het afzien van intrekking. Het beroep werd ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit.
De uitspraak benadrukt dat eiser per 1 september 2021 niet meer voldeed aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning studie en dat verweerder conform beleidsregels en wetgeving heeft gehandeld.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning voor studie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.