ECLI:NL:RBDHA:2023:21540
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling wegens zware gronden en onrechtmatigheid tolking
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgeheven voordat de rechtbank uitspraak deed, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was en of schadevergoeding toegekend moest worden.
Eiser stelde dat door een fout in het tolkennummer niet kon worden vastgesteld of hij tijdens het gehoor was bijgestaan door een registertolk, wat een gebrek in de maatregel vormde. De rechtbank stelde vast dat het tolkennummer inderdaad onjuist was en verweerder niet kon achterhalen welke tolk was ingezet. Desondanks oordeelde de rechtbank dat dit gebrek niet tot onrechtmatigheid leidde, omdat eiser verklaarde de tolk Engels goed te hebben verstaan en geen sprake was van schending van zijn belangen.
De rechtbank toetste ook de gronden voor de bewaring. Verweerder legde zware gronden 3a (illegale binnenkomst) en 3c (niet-naleving terugkeerbesluit) ten grondslag, die door eiser werden betwist. Uit het dossier en de verklaringen bleek echter dat deze gronden feitelijk juist waren en voldoende waren om de bewaring te dragen. Ook het argument van eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast, werd verworpen omdat geen andere doeltreffende maatregelen mogelijk waren gezien het risico op onttrekking aan toezicht.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.