ECLI:NL:RBDHA:2023:21563
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorzieningen na scheiding van tafel en bed
Partijen zijn gehuwd sinds 2005 en hebben drie minderjarige kinderen. In 2012 is tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken, waarbij afspraken zijn gemaakt over zorgregeling en verdeling van het huwelijksvermogen. Na deze scheiding zijn partijen weer gaan samenwonen, maar zonder de scheiding te laten uitschrijven in het huwelijksgoederenregister.
De vrouw verzocht de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen, waaronder het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toewijzing van de zorg voor de kinderen, een zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke grondslag voor het verzoek ontbrak omdat artikel 821 Rv Pro alleen voorziet in voorlopige voorzieningen bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed, niet bij ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed.
De rechtbank wees erop dat de eerdere beschikking uit 2012 bindende beslissingen bevatte over zorg en alimentatie, en dat het verzoek feitelijk neerkwam op wijziging van deze beslissingen zonder dat daarvoor een wettelijke basis bestaat in de vorm van voorlopige voorzieningen. Daarom werd het verzoek van de vrouw niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorzieningen na ontbinding huwelijk na scheiding van tafel en bed is niet-ontvankelijk verklaard.