Eiser, een Russische staatsburger met half Oekraïense achtergrond, verzocht asiel in Nederland op grond van vermeende vervolging wegens het niet vervullen van militaire dienstplicht en zijn politieke overtuiging tegen de oorlog in Oekraïne. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij een reëel risico loopt op strafrechtelijke vervolging of mobilisatie.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het ongeloofwaardig achtte dat eiser in 2008 of 2009 werd opgeroepen voor militaire dienstplicht en deze niet vervulde, mede omdat eiser geen bewijs leverde en meerdere reizen naar Rusland maakte zonder problemen. Ook concludeerde de rechtbank dat de vrees voor mobilisatie niet aannemelijk is, gelet op ambtsberichten en rapporten die wijzen op het ontbreken van een grootschalige nieuwe mobilisatie.
Verder werd de vrees voor vervolging wegens politieke overtuiging verworpen, omdat eiser geen politieke activiteiten ontplooide en zijn mening niet openbaar maakte. Het inreisverbod werd eveneens gehandhaafd, aangezien geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die dit zouden rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.