Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. Hij voerde aan dat hij tijdens het ophoudingsgehoor geen rechtsbijstand had gekregen, ondanks zijn verzoek daarom. De rechtbank erkent dat dit een ernstig gebrek is, maar weegt dit af tegen het belang van de bewaring en concludeert dat het gebrek niet onrechtmatig is omdat eiser wel rechtsbijstand had tijdens het hoofdgehoor voorafgaand aan de bewaring.
Daarnaast stelde eiser dat het ontbreken van een model M122 en toestemming van het Openbaar Ministerie de bewaring onrechtmatig maakte. De rechtbank oordeelt dat het formulier M122 alsnog is overgelegd en dat uit de correspondentie blijkt dat het OM geen bezwaar had tegen overdracht en uitzetting. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van de proceskosten van €1.674,- wegens het gebrek in de ophouding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.