ECLI:NL:RBDHA:2023:21895

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 oktober 2023
Publicatiedatum
26 februari 2024
Zaaknummer
22/3339
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
WAZO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvorderingsbesluit WAZO wegens ontbreken nettobedrag en onvoldoende motivering

Eiser ontving een WAZO-uitkering voor aanvullend geboorteverlof, die door verweerder (UWV) werd herzien en waarvan een deel werd teruggevorderd. Het primaire besluit vermeldde alleen het bruto terug te vorderen bedrag, niet het nettobedrag. Eiser stelde dat hij daardoor niet tijdig kon terugbetalen en dat zijn bezwaren niet zijn behandeld.

De rechtbank oordeelt dat verweerder had moeten vermelden welk nettobedrag terugbetaald kon worden, aangezien de terugvordering binnen hetzelfde kalenderjaar plaatsvond. Tevens is vastgesteld dat verweerder niet heeft gereageerd op de bezwaren van eiser, waardoor eiser genoodzaakt was beroep in te stellen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat eiser het brutobedrag heeft terugbetaald en van de Belastingdienst het verschil met het nettobedrag heeft teruggekregen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, met in stand laten van de rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/3339

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: mr. M.A. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser laten weten een deel van de aan hem uitbetaalde WAZO-uitkering terug te vorderen.
Met het besluit van 25 april 2022 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is verweerder bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2023 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen eiser en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

1. Verweerder heeft eiser met het besluit van 5 oktober 2021 een WAZO-uitkering bij aanvullend geboorteverlof voor vijf weken toegekend voor de periode 21 juni 2021 tot 26 juli 2021. Verweerder heeft de WAZO-uitkering met het besluit van 22 december 2021 herzien in verband met een wijziging van de einddatum naar 12 juli 2021. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder in het primaire besluit bepaald dat een bruto bedrag van € 1579 aan teveel betaalde WAZO-uitkering terug wordt gevorderd.
2. Verweerder heeft in het bezwaar geen aanleiding gezien om het standpunt te wijzigen. Hij benoemt dat hij een rechtsplicht heeft om het onverschuldigde bedrag terug te vorderen, hieronder wordt verstaan de eerdere onverschuldigde bruto uitkering.

De standpunten van partijen

3. Eiser stelt dat hij nooit de mogelijkheid heeft gehad om het nettobedrag tijdig terug te betalen omdat hij door verweerder niet op de hoogte is gesteld van het nettobedrag of het rekeningnummer. Eiser is op 28 december 2021 geïnformeerd over het brutobedrag in het terugvorderingsbesluit. Deze brief heeft hij op 30 december 2021 ontvangen waardoor hij, in verband met oudjaar en aangepaste openingstijden, verweerder niet meer kon bereiken om het nettobedrag en rekeningnummer te krijgen. Ook stelt eiser dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op zijn bezwaren.
4. Verweerder stelt dat hij altijd een brutobedrag terugvordert. Het bedrag kan netto worden terug betaald als de terugbetaling in hetzelfde jaar wordt gedaan. Eiser heeft volgens verweerder nagelaten contact op te nemen met verweerder om aan te geven het bedrag netto te willen terugbetalen. Eiser heeft ook niet alvast het brutobedrag terugbetaald in afwachting van het nettobedrag.

Het oordeel van de rechtbank

5. Omdat eiser het terugvorderingsbesluit nog in hetzelfde jaar – als waarin een bedrag ten onrechte is betaald – heeft ontvangen, had het op de weg van verweerder gelegen om het nettobedrag in het besluit te vermelden, nu eiser immers op dat moment nog het nettobedrag kon terugbetalen.
6. In het bestreden besluit is verweerder niet ingegaan op de door eiser tegen het primaire besluit aangevoerde bezwaren. Eiser heeft daarom in beroep moeten gaan om een inhoudelijke beslissing op zijn bezwaren te verkrijgen.
7. Dit leidt ertoe dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat eiser inmiddels het brutobedrag van de terugvordering aan verweerder heeft terugbetaald én van de Belastingdienst het verschil met het nettobedrag heeft teruggekregen, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde bedrag van € 50 aan griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht ter hoogte van € 50 vergoedt aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R. Veili, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.