ECLI:NL:RBDHA:2023:21899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling ingangsdatum WW-uitkering na beëindiging arbeidsovereenkomst
Eiser was sinds 2017 werkzaam bij zijn eigen onderneming, die hij vanwege de COVID-19 pandemie moest beëindigen. Hij tekende op 27 februari 2022 een vaststellingsovereenkomst waarin zijn arbeidsovereenkomst per 28 februari 2022 werd beëindigd. Verweerder kende hem een WW-uitkering toe vanaf 2 mei 2022, rekening houdend met een wettelijke opzegtermijn van twee maanden.
Eiser maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de WW-uitkering en stelde dat hij recht had op uitkering vanaf 1 maart 2022. Hij voerde aan dat het Uwv pas later de vaststellingsovereenkomst had ontvangen en dat er sprake was van een menselijke fout. Verweerder handhaafde het besluit op bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat artikel 19, derde lid, van de WW dwingendrechtelijk is en dat de opzegtermijn van twee maanden vanaf 28 februari 2022 correct is toegepast. Er waren geen uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de ingangsdatum van de WW-uitkering op 2 mei 2022 gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering gaat in op 2 mei 2022 na afloop van de wettelijke opzegtermijn.