ECLI:NL:RBDHA:2023:22033
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens twijfel over tijdige terugkeer naar Pakistan
Eiseres, een Pakistaanse vrouw geboren in 1992, vroeg een visum kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af vanwege redelijke twijfel over haar voornemen om Nederland voor het verstrijken van het visum te verlaten. De twijfel was gebaseerd op onvoldoende sterke sociale en economische bindingen met Pakistan.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het criterium van sociale en economische binding hanteerde en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij tijdig zou terugkeren. Zij is ongehuwd, zonder kinderen en zonder aantoonbare zorgverplichtingen, en kon niet aantonen dat zij daadwerkelijk inkomsten ontving uit haar dienstbetrekking, mede omdat de bankafschriften geen salarisbetalingen toonden.
Hoewel eiseres na het bestreden besluit stukken overlegde waaruit bleek dat haar salaris inmiddels op haar bankrekening werd gestort, konden deze niet worden meegewogen vanwege het ex-tunc toetsingskader. Ook werd geoordeeld dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden omdat het bezwaarschrift onvoldoende onderbouwd was en geen aanleiding gaf tot nader horen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de afwijzing van het visum en wees de terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.