ECLI:NL:RBDHA:2023:22041
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen intrekking verblijfsvergunning wegens ontbreken duurzame relatie
Eiser en zijn twee zonen hadden verblijfsvergunningen regulier als familie- of gezinsleden, die bij besluit van 20 maart 2020 met terugwerkende kracht werden ingetrokken wegens het ontbreken van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en zijn partner. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen deze intrekkingen beoordeeld.
De rechtbank heeft de processen-verbaal van de politie betrokken, waarin onder meer is vastgesteld dat eiser niet bij zijn partner woonde en dat er aanwijzingen waren dat de relatie niet duurzaam was. De verklaringen van de partner, de buurman en het beperkte WhatsApp-contact bevestigen dit beeld. Eiser heeft geen voldoende tegenbewijs geleverd om de juistheid van deze verklaringen te betwisten.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht terecht is en dat er geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vereiste connexiteit ontbreekt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.