Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:22196

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 december 2023
Publicatiedatum
7 juni 2024
Zaaknummer
NL23.39379
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 6 lid 1 VwArt. 6 lid 2 VwArt. 6 lid 6 VwArt. 94 lid 1 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing grensdetentie wegens onrechtmatige vrijheidsontneming na verlopen beroepstermijn asiel

Eiser, van Ghanese nationaliteit, vroeg op 17 november 2023 asiel aan bij aankomst op Schiphol. Deze aanvraag werd op 23 november 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde geen rechtsmiddel tegen dit besluit in. Op 6 december 2023 diende hij een nieuwe asielaanvraag in, die eveneens werd afgewezen op 15 december 2023.

Verweerder legde op 17 november 2023 een vrijheidsontnemende maatregel op op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Na het verstrijken van de beroepstermijn op het eerste asielbesluit had verweerder de grondslag van de maatregel moeten wijzigen, wat niet gebeurde. De rechtbank oordeelt dat de maatregel vanaf 3 december 2023 niet langer rechtsgeldig was en dat deze rechtsgeldigheid ook niet werd herwonnen door de nieuwe asielaanvraag van 6 december 2023.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 21 december 2023 en veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €1.900,- voor 19 dagen onrechtmatige detentie. Tevens worden de proceskosten van eiser ten bedrage van €1.674,- aan verweerder opgelegd.

De rechtbank overweegt dat het grensbewakingsbelang van verweerder rechtvaardigde dat geen lichter middel werd toegepast en dat de detentie niet onevenredig bezwarend was. Wel is vastgesteld dat de maatregel onrechtmatig voortduurde na het verstrijken van de beroepstermijn, omdat verweerder naliet de grondslag te wijzigen. Dit tekort is niet hersteld door de latere asielaanvraag van eiser.

De uitspraak is gedaan in het openbaar op 21 december 2023 en staat open voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de grensdetentie en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige vrijheidsontneming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39379
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2023 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 december 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 december 2023;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.900,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.

Overwegingen

1. Eiser is van Ghanese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1991.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig
bezwarend maken.
3. Eiser heeft op 17 november 2023 bij aankomst op Schiphol asiel aangevraagd. Deze asielaanvraag is bij besluit van 23 november 2023 in de grensprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 6 december 2023 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd. Deze asielaanvraag is ook in de grensprocedure behandeld. Bij besluit van 15 december 2023 is ook deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Gelet op het grensbewakingsbelang van verweerder en het feit dat eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel desgevraagd had aangegeven gezond te zijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank af kunnen zien van het opleggen van een lichter middel. Ook heeft verweerder kunnen afzien van het doorzenden van eiser naar een open procedure nu verweerder daarmee het grensbewakingsbelang zou hebben moeten prijsgeven.
5. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Dat eiser de detentie psychisch steeds zwaarder valt, is onvoldoende om te stellen dat de detentie daarmee op enig moment onevenredig bezwarend is geworden.
6. De rechtbank heeft ambtshalve nog de vraag opgeworpen of verweerder de grondslag van de maatregel niet had moeten wijzigen nadat de beroepstermijn in de eerste asielprocedure was verlopen als ook of eiser op dit moment nog op basis van een rechtsgeldige vrijheidsontnemende maatregel vastzit.
7. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het asielbesluit van 23 november 2023 en niet om een voorlopige voorziening heeft gevraagd. Verweerder erkent daarom ook dat hij heeft verzuimd de grondslag van de maatregel uiterlijk op 2 december 2023 te wijzigen naar artikel 6, zesde lid jo. artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw. Verweerder stelt echter dat eiser door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad, omdat hij op 6 december 2023 weer asiel heeft aangevraagd, waardoor sindsdien artikel 6, derde lid, van de Vw weer de juiste grondslag is. Wel is verweerder bereid om voor de periode van 3 t/m 5 december schadevergoeding te betalen.
Eiser heeft daarop geantwoord dat hij wel in zijn belangen is geschaad nu hij ten onrechte vast heeft gezeten.
8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de bestreden maatregel van 3 tot 6 december 2023 heeft voortgeduurd op de verkeerde grondslag. De rechtbank volgt verweerder evenwel niet in zijn standpunt dat dit het voortduren van de maatregel vanaf
6 december niet langer onrechtmatig maakt. Naar het oordeel van de rechtbank was de op
17 november op grond van artikel 6, derde lid opgelegde maatregel vanaf 3 december immers niet langer rechtsgeldig. En een vrijheidsontnemende maatregel die zijn rechtsgeldigheid heeft verloren, kan die niet door een externe omstandigheid – het door eiser op 6 december opnieuw asiel aanvragen – opeens weer herwinnen.
Dat betekent dat eiser vanaf 3 december zonder rechtsgeldige titel zijn vrijheid is ontnomen.
9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 3 december 2023 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 december 2023.
10. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 19 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 19 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.900,-.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2023 door
mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.