ECLI:NL:RBDHA:2023:22199
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit verblijfsvergunning arbeidsmigrant en gezinsleden wegens onvoldoende belangenafweging
Eiser, een kennismigrant, en zijn gezinsleden kregen hun verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht ingetrokken omdat eiser niet langer voldeed aan de voorwaarden van de kennismigrantenvergunning. Eisers voerden aan dat de intrekking hun familie- en privéleven in Nederland schaadt en dat verweerder had moeten toetsen aan artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende en onzorgvuldig heeft gemotiveerd waarom de vergunningen werden ingetrokken en dat de belangenafweging niet voldeed aan de vereisten van artikel 8 EVRM Pro en het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft onterecht nadelig meegewogen dat de verblijfsvergunning tijdelijk zou zijn en dat eisers de positie van hun zoon zouden misbruiken.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen met een zorgvuldige belangenafweging. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunningen wordt vernietigd.