Partijen, gehuwd in 2019, zijn ouders van een minderjarig kind geboren in 2011. Zij oefenen gezamenlijk gezag uit en het kind verblijft om de week bij beide moeders. Na voorlopige voorzieningen is het kind voorlopig toevertrouwd aan moeder B.
Moeder A verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen waaronder wijziging hoofdverblijfplaats naar haar, co-ouderschapsregeling, kinderalimentatie en vervangende toestemming voor hulpverlening en inschrijving bij de jeugdbrandweer. Moeder B verzet zich tegen wijziging hoofdverblijfplaats en stelt dat het kind meer tijd bij haar moet doorbrengen.
De rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst de echtscheiding toe. Het hoofdverblijf wordt bij moeder B vastgesteld omdat het kind daar sinds geboorte staat ingeschreven en de zorgregeling gelijk is. De zorgregeling om de week blijft gehandhaafd, met een aangepast vakantieschema voor 2023. Vervangende toestemming voor hulpverlening bij VoorIeder1 en inschrijving bij de jeugdbrandweer wordt aan moeder A verleend.
De rechtbank berekent de draagkracht van beide moeders en stelt de kinderalimentatie vast op €266 per maand te betalen door moeder A aan moeder B. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek tot meer of anders wordt afgewezen.