ECLI:NL:RBDHA:2023:2403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
NL23.1265
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 18 lid 1 onder b DublinverordeningArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 17 DublinverordeningArtikel C1/2.12 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Syrische nationaliteithebbende, diende een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat volgens Eurodac-gegevens en de Dublinverordening Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verzocht Oostenrijk om terugname, wat werd geaccepteerd.

Eiser betwistte dat hij in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend en vreesde schending van artikel 3 EVRM Pro bij overdracht vanwege risico’s van de Shabiha-groepering. Tevens voerde hij aan dat zijn mentale gezondheid slecht is en dat recente aardbevingen in Turkije zijn situatie verslechterden, wat uitstel en nader onderzoek zou rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder mocht vertrouwen op Eurodac-gegevens en het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij geen asielaanvraag in Oostenrijk had gedaan of dat er een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bestaat. De medische informatie was onvoldoende onderbouwd en er was geen aanleiding voor uitstel of toepassing van artikel 17 Dublinverordening Pro.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1265

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Brock).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.1266, op 15 februari 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] . Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 8 augustus 2022 in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening [2] . De autoriteiten van Oostenrijk hebben dit verzoek op 19 september 2022 geaccepteerd.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk en dat er bij overdracht naar Oostenrijk een risico is op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [3] , omdat hij vreest voor de Shabiha-groepering. Hierbij wordt verwezen naar twee nieuwsartikelen. [4] Daarnaast is de mentale gezondheid van eiser dusdanig slecht dat hierdoor uitstel had moeten worden verleend voor het indienen van de zienswijze op grond van artikel C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en dat hij niet kan reizen. Hierbij wordt verwezen naar een e-mail bericht van een POH GGZ-verpleegkundige, [Naam 2], en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 [5] . Eisers gezondheid is bovendien verder verslechterd, omdat hij familieleden heeft in het gebied in Turkije dat recentelijk door aardbevingen is getroffen. Dit had voor verweerder aanleiding moeten zijn toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend. In beginsel mag verweerder van de informatie in Eurodac uitgaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze informatie niet juist is. Eiser is hier niet in geslaagd. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat hij geen asielaanvraag heeft ingediend is hiervoor onvoldoende. Daarom staat de verantwoordelijkheid van Oostenrijk vast.
5. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Oostenrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd. Uit de, gedateerde, nieuwsartikelen volgt niet dat eiser in Oostenrijk een reëel risico loopt om in een situatie te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Deze nieuwsartikelen bevatten namelijk slechts een algemene verwijzing naar de Shabiha-groepering, maar niet blijkt dat deze actief aanwezig is in Oostenrijk. Bij voorkomende problemen kan eiser zich wenden tot de daartoe bestemde autoriteiten in Oostenrijk. Niet is gebleken dat dit in zijn geval niet mogelijk is of dat klagen zinloos is.
6. Uit de overgelegde e-mail van de POH GGZ-verpleegkundige volgt dat er mogelijk sprake is van psychische problemen, maar de e-mail bevat geen oordeel van een specialist en bevat geen duidelijke diagnose. Daarnaast wordt er geen oordeel gegeven over wat de gevolgen van een overdracht zijn voor de mentale gesteldheid van eiser. Verweerder was daarom niet gehouden uitstel te verlenen voor het indienen van de zienswijze. Bovendien is niet gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Er is na de aardbevingen in Turkije geen nieuwe medische informatie overgelegd. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening of om nader onderzoek te doen.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening nr. (EU) 604/2013.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.“Fears Mountain that Europe Sheltering Syrian ‘Shabiha’”, Naharnet, 15 oktober 2015; “I fear bumping into my torturers in the street”, BBC News, 29 januari 2022.
5.C.K. e.a. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.