Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank betrekt in haar oordeel het volgende. In het arrest Zambrano [16] heeft het Hof de toepassing van verblijfsrecht, ontleend aan artikel 20 VWEU Pro, vastgesteld. Sinds dat arrest heeft het Hof de wijze waarop moet worden beoordeeld of een derdelander aanspraak maakt op een afgeleid verblijfsrecht en welke rechten en plichten hij daaraan ontleent, verder ontwikkeld in de arresten Dereci [17] , Chavez Vilchez en K.A [18] . Uit deze rechtspraak volgt dat een derdelander, die familielid is van een Unieburger, een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro toekomt als de betrokken Unieburger door de weigering om een dergelijk verblijfsrecht toe te kennen feitelijk genoodzaakt zou zijn de Europese Unie te verlaten. Dit is alleen het geval als sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen de derdelander en de Unieburger, dat die Unieburger bij weigering van een verblijfsrecht gedwongen is de derdelander te vergezellen en de Europese Unie te verlaten. [19] Het is aan de lidstaten om te bepalen hoe zij in hun nationale wetgeving gestalte geven aan het afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro, maar deze procedurevoorschriften mogen geen afbreuk doen aan de nuttige werking van artikel 20 VWEU Pro. [20] Verder heeft het Hof benadrukt dat dit verblijfsrecht van rechtswege ontstaat op het moment dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding en dat aan de derdelander het voordeel van dat verblijfsrecht moet toekomen zodra de afhankelijkheidsverhouding ontstaat [21] .