ECLI:NL:RBDHA:2023:2519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
3 maart 2023
Zaaknummer
NL22.26473
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 8 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 14 Eurodac-verordening
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag minderjarige op grond van Dublinverordening

Eiser, een minderjarige asielzoeker die onbegeleid naar Nederland kwam en een meerderjarige broer met wettig verblijf in Duitsland heeft, diende een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling, omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Duitsland accepteerde het terugnameverzoek.

Eiser voerde aan dat hij niet met zijn broer in familieverband heeft gewoond, een slechte relatie heeft en niet bij hem wil wonen. Ook stelde hij dat hij in Duitsland onder dwang vingerafdrukken moest afgeven en vreest uitgezet te worden, wat in strijd zou zijn met het EVRM en het Handvest.

De rechtbank overwoog dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een onrechtmatige behandeling. De verklaringen van eiser waren niet voldoende om het vertrouwensbeginsel te doorbreken. Bovendien kan eiser in Duitsland klachten indienen bij autoriteiten en is gezinshereniging daar mogelijk.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht Duitsland als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen en het beroep ongegrond verklaart. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.26473
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.A.A. Charry),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.26474, op 24 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Ahmad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.1 De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening2 Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. In dit geval heeft verweerder een terugnameverzoek naar Duitsland gestuurd. Duitsland heeft dit verzoek geaccepteerd onder verwijzing naar artikel 8 en Pro 18 Dv.
2. In dit geding is niet in geschil dat eiser ten tijde van zijn aanvraag minderjarig was, dat hij onbegeleid was en dat zijn meerderjarige broer [A] in Duitsland wettig verblijf heeft. Verder heeft eiser voordat hij naar Nederland is gereisd ongeveer één maand bij zijn broer in Duitsland verbleven. Nederland heeft op basis van de broer van eiser in Duitsland
1. Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw).
2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
een terugnameverzoek naar Duitsland gestuurd op grond van artikel 8, eerste lid, van de Dublinverordening. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard op grond van artikel 8, eerste lid van de Dublinverordening in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder a van de Dublinverordening.
Verantwoordelijkheid van Duitsland
3. Eiser voert aan dat hij bij aankomst in Nederland een onbegeleide minderjarige asielzoeker was. Op grond daarvan moet hij internationale bescherming krijgen in Nederland. Dat eiser een broer heeft in Duitsland is niet doorslaggevend, omdat hij nooit met zijn broer in familieverband heeft gewoond. Eiser verklaart ook geen goede relatie te hebben met zijn broer en heeft zelfs ruzie met hem. Eiser wil absoluut niet bij zijn broer wonen in Duitsland. Hij vindt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen als minderjarige
4. De rechtbank overweegt het volgende. In het aanmeldgehoor Dublin van 8 augustus 2022 heeft eiser het volgende gezegd:
‘Hoe is de relatie met je broer in Duitsland? Het is goed.
(…)
Hoe ging je precies om met je broer?
Het was prima, we hadden geen problemen met elkaar. Hebben jullie ook nooit problemen gehad?
Nee.’
Uit dit gehoor blijkt dus dat eiser geen ruzie heeft met zijn broer, maar juist dat hij het goed met zijn broer kan vinden. Dit is in overeenstemming met wat hij tijdens de andere gehoren heeft verklaard. Hij heeft een maand bij zijn broer in Duitsland verbleven en zijn broer zorgde voor hem. Aan de stelling in beroep dat eiser ruzie heeft met zijn broer hoeft verweerder geen doorslaggevende betekenis toe te kennen, ook niet nadat dit kort voor de zitting is onderbouwd met een schriftelijke verklaring van de broer. Verweerder mag eiser houden aan zijn verklaringen tijdens de gehoren omdat deze consistent zijn en authentiek overkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de antwoorden van eiser in het aanmeldgehoor en verdere informatie uit het dossier mogen vinden dat verblijf bij zijn broer in het belang van eiser als (destijds) minderjarige is. Verweerder heeft hierover voldoende navraag gedaan. Op basis van het voorgaande heeft verweerder Duitsland kunnen aanmerken als verantwoordelijke lidstaat. Duitsland heeft dat ook beaamd door het claimverzoek van Nederland te accepteren. Duitsland is dan ook terecht aangemerkt als lidstaat die voor de behandeling van eisers aanvraag verantwoordelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert verder aan dat hij niet wil terugkeren naar Duitsland vanwege de slechte ervaringen die hij daar heeft gehad. Hij moest zijn vingerafdrukken onder dwang afgeven. Er werd gedreigd hem terug te sturen naar Polen als hij zijn vingerafdrukken niet zou afgeven. Hij heeft in Duitsland een asielaanvraag gedaan, maar weet de uitslag daarvan niet. Hij is bang dat hij, als hij wordt overgedragen naar Duitsland, wordt uitgezet en in een situatie terecht komt die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Verder stelt eiser dat hij naar Nederland is gekomen voor gezinshereniging, dat kan in Duitsland niet. In deze zaak is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht naar Duitsland van onevenredige hardheid zou getuigen. Verweerder moet daarom de asielaanvraag van eiser aan zich trekken.
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duisland. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in onder meer de uitspraken van 9 november 20173 en 26 maart 20194 bevestigd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet meer kan.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van Duitsland. Eisers verklaringen over wat hij persoonlijk in Duitsland heeft meegemaakt, zijn onvoldoende om te oordelen dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. In dit verband is van belang dat uit artikel 14 van Pro de Eurodac-verordening5 volgt dat lidstaten verplicht zijn om illegale vreemdelingen te registreren. Dit betekent dat Duitsland de vingerafdrukken van eiser moest afnemen. Dat dit volgens eiser onder dreiging is gebeurd, hoort niet en als dat is gebeurd kan eiser daarover klagen bij de Duitse autoriteiten. Verder is Duitsland ook partij bij de Europese richtlijnen en internationale verdragen op het gebied van asielrecht, waaronder de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hierdoor is het ook
mogelijk voor eiser om in Duitsland een aanvraag te doen voor gezinshereniging. De eigen intentie van eiser voor Nederland is niet doorslaggevend. Mocht eiser toch problemen ervaren in Duitsland na zijn overdracht, kan en dient hij zich daarover te beklagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Verweerder heeft zich gezien al het bovenstaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die maken dat zijn overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigd. Verweerder heeft de asielaanvraag dan ook niet op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich hoeven trekken.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5 Verordening (EU) nr. 603/2013.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 januari 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.