ECLI:NL:RBDHA:2023:2531

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 maart 2023
Publicatiedatum
3 maart 2023
Zaaknummer
NL23.4961
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

Eiser is op 12 oktober 2022 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van deze maatregel getoetst en constateert dat deze maatregel nog voortduurt.

Omdat lange tijd is verstreken zonder dat beroep is ingesteld tegen het voortduren van de maatregel, heeft de rechtbank ambtshalve een periodieke toetsing uitgevoerd op basis van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022. Daarbij is gekeken naar het zicht op uitzetting, de voortvarendheid van de overheid en de proportionaliteit van de maatregel.

De rechtbank concludeert dat het zicht op uitzetting naar India aanwezig is omdat de Indiase autoriteiten meewerken aan de afgifte van een laissez passer, ondanks dat het onderzoek lang duurt. Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld door regelmatig te rappelleren en contact te onderhouden met eiser. Eiser heeft onvoldoende medewerking verleend, onder meer door zijn identiteit niet te onderbouwen met documenten.

Gezien het risico op onttrekking is een lichter middel niet passend. De rechtbank verklaart de voortzetting van de maatregel van bewaring rechtmatig en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt onverkort als rechtmatig bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.4961
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: R. Hopman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 12 oktober 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Uit de uitspraak van 27 oktober 2022 (in de zaak NL22.20654) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (24 oktober 2022).
Deze maatregel duurt nog voort. Inmiddels is een lange termijn verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 20221 toetst de rechtbank nu ambtshalve of deze maatregel nog voldoet aan de eisen die daaraan door het Unierecht worden gesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
1 ECLI:EU:C:2022:858.

Overwegingen

1. De rechtbank oordeelt over het zicht op uitzetting als volgt. In beginsel werken de Indiase autoriteiten mee aan de verstrekking van een laissez passer (lp). De Indiase autoriteiten hebben de aanvraag om afgifte van een lp ten behoeve van eiser in behandeling genomen en het onderzoek in dit verband loopt nog. De Indiase autoriteiten hebben niet meegedeeld dat zij in het geval van eiser niet tot afgifte van een lp zullen overgaan. De enkele omstandigheid dat de aanvraag nu ruim zes maanden in behandeling is, is onvoldoende voor het oordeel dat de Indiase autoriteiten geen lp meer voor eiser zullen verstrekken en dat daarmee het zicht op zijn uitzetting ontbreekt.
2. Bij de rechterlijke toets of verweerder de uitzetting voortvarend verricht, dient de rechtbank het geheel aan handelingen ter voorbereiding van de uitzetting in ogenschouw te nemen. In dat verband is van belang dat verweerder nog op 3 februari 2023 heeft gerappelleerd bij de Indiase autoriteiten en dat verweerder nog op 9 februari 2023 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Het is niet aannemelijk dat de uitzetting van eiser kan worden bespoedigd, indien verweerder méér of andere handelingen verricht. Verder geldt onverminderd dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan zijn uitzetting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aangetoond dat hij afdoende invulling heeft gegeven aan zijn medewerkingsplicht. Zo heeft eiser tot op heden zijn gestelde identiteit niet met documenten onderbouwd. Al met al is de rechtbank van oordeel dat verweerder vooralsnog voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
3. Er is onverkort een risico dat eiser zich aan het toezicht op vreemdeling en zal onttrekken. Verder is er geen garantie dat de uitzetting van eiser zal worden gerealiseerd indien aan hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring wordt opgelegd. Eiser heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die verweerder ertoe hadden moeten brengen om met een lichter middel te volstaan. Terecht heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen.
4. De rechtbank komt tot de conclusie dat de voortduring van de maatregel van bewaring van eiser nog steeds rechtmatig is. Hieruit vloeit voort dat er geen aanleiding is om eiser schadevergoeding of een proceskostenveroordeling toe te kennen.

Beslissing

De rechtbank:
  • oordeelt dat de maatregel van bewaring onverkort rechtmatig is;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 maart 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.