ECLI:NL:RBDHA:2023:2540
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening faciliterend visum wegens onvoldoende toetsing en belangenafweging
Verzoekers, allen met de Afghaanse nationaliteit, hebben een faciliterend visum aangevraagd om met hun familieleden met de Nederlandse nationaliteit via Finland op vakantie te gaan. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af wegens onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over tijdige terugkeer.
De voorzieningenrechter constateerde dat de minister de aanvragen niet adequaat heeft getoetst aan de voorwaarden voor een faciliterend visum, zoals opgenomen in de Verblijfsrichtlijn en relevante richtlijnen. Dit gebrek in de besluitvorming betekent echter niet automatisch dat de voorlopige voorziening moet worden toegewezen, omdat het verzoek verstrekkende gevolgen heeft.
De rechtbank oordeelde dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten laste komen van de referent, mede door het ontbreken van objectief bewijs van financiële ondersteuning. Ook ontbraken bijzondere omstandigheden die toewijzing van de voorlopige voorziening rechtvaardigen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af, maar veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten vanwege het beoordelingsgebrek in de besluiten. Het vonnis heeft een voorlopig karakter en bindt niet in een bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens beoordelingsgebrek.