ECLI:NL:RBDHA:2023:2609
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen toekenning basisbeurs studiefinanciering met terugwerkende kracht
Eiseres, die in 2018 is gestart met een mbo-opleiding, heeft pas op 24 mei 2022 een aanvraag studiefinanciering ingediend, terwijl zij al vanaf augustus 2021 recht had op een basisbeurs. Verweerder kende de basisbeurs toe met ingang van 1 augustus 2021, het begin van het studiejaar waarin de aanvraag werd ingediend, en wees een eerdere ingangsdatum af.
Eiseres voerde aan dat persoonlijke omstandigheden, waaronder een depressie en ernstige ziekte van familieleden, haar verhinderden eerder een aanvraag in te dienen. Zij verzocht om coulance en maatwerk. De rechtbank oordeelde dat de wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) hieraan geen ruimte biedt en dat de dwingendrechtelijke bepaling in artikel 3.21 Wsf 2000 een terugwerkende toekenning vóór het studiejaar van aanvraag uitsluit.
De rechtbank stelde vast dat verweerder eiseres tijdig had geïnformeerd over de mogelijkheid tot aanvraag en dat het niet tijdig indienen van de aanvraag niet aan verweerder kon worden toegerekend. Ook was geen hoorplicht van toepassing en was het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de basisbeurs wordt toegekend vanaf 1 augustus 2021.