ECLI:NL:RBDHA:2023:2618
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na intrekking bijstandsuitkering
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om haar bijstandsuitkering met ingang van 21 november 2021 in te trekken. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om de intrekking te schorsen.
Tijdens de zitting op 22 februari 2023 werd vastgesteld dat verzoekster vrijgesteld is van griffierecht. De voorzieningenrechter benadrukte dat een voorlopige voorziening een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor een eventueel bodemgeding.
De kernvraag was of er sprake was van een spoedeisend belang, zoals bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro. Verzoekster stelde dat zij sinds de intrekking geen inkomen heeft en schulden oploopt, maar zij kon geen acute financiële nood aantonen, zoals dreigende huisuitzetting of afsluiting van energievoorzieningen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het enkele feit van het ontbreken van inkomen en oplopende schulden onvoldoende was om een spoedeisend belang aan te nemen. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.