ECLI:NL:RBDHA:2023:2619

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2023
Publicatiedatum
6 maart 2023
Zaaknummer
23-1
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na intrekking bijstandsuitkering

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden om haar bijstandsuitkering met ingang van 23 november 2022 in te trekken. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om de intrekking te schorsen.

De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van een spoedeisend belang, zoals vereist voor het toewijzen van een voorlopige voorziening. Verzoekster stelde dat zij sinds de intrekking geen inkomen heeft terwijl haar vaste lasten doorlopen. Dit werd echter onvoldoende geacht om een acute financiële noodsituatie aan te nemen.

Er was geen bewijs van dreigende huisuitzetting, afsluiting van energie- of waterlevering of het ontbreken van ziektekostenverzekering. Ook andere zwaarwegende belangen die een voorlopige voorziening zouden rechtvaardigen, werden niet aannemelijk gemaakt.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af. De uitspraak werd gedaan op 3 maart 2023 en is bindend voor het voorlopige stadium, maar niet voor een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2023 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: N. Fels).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2022 heeft verweerder de uitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 14 november 2022 opgeschort.
Bij besluit van 16 november 2022 is besloten de uitkering van verzoekster vanaf 14 november 2022 te betalen.
Bij besluit van 23 november 2022 heeft verweerder de uitkering van verzoekster opgeschort vanaf 23 november 2022.
Bij besluit van 25 november 2022 heeft verweerder zijn besluit van 23 november 2022 ingetrokken en de uitkering van verzoekster opgeschort vanaf 23 november 2022.
Bij besluit van 5 december 2022 (primair besluit) heeft verweerder de uitkering van verzoekster met ingang van 23 november 2022 ingetrokken.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 februari 2023 op zitting behandeld. De gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

Overwegingen

1. Verzoekster is vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Dat betekent dat verzoekster in deze procedure geen griffierecht hoeft te betalen.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoekster kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor haar onevenredig bezwaarlijk maakt dat zij de beslissing in de hoofdzaak af moet wachten.
4. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoekster aangevoerd dat zij sinds de intrekking van de bijstandsuitkering niet over inkomen beschikt terwijl de vaste lasten doorlopen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze enkele stelling onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Niet gebleken is van acute financiële nood, door bijvoorbeeld schulden op grond waarvan dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment in een zodanige financiële noodsituatie verkeert, die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 5 december 2022 niet door haar zou kunnen worden afgewacht.
5. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van de Wetering, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.