ECLI:NL:RBDHA:2023:2649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2023
Publicatiedatum
6 maart 2023
Zaaknummer
21/4130
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar Participatiewet terugvordering

Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een terugvorderingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer over de periode van 1 januari tot en met 31 maart 2020, waarbij een bedrag van € 2.145,82 netto aan bijstand was teruggevorderd op grond van de Participatiewet.

Het college had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend, na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken zoals bepaald in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres stelde dat zij psychisch niet in staat was tijdig bezwaar te maken, maar heeft deze stelling niet concreet onderbouwd met bewijs.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard vanwege onverschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep van eiseres tegen dit besluit werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/4130

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2023 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college

(gemachtigde: mr. A. Tibben).

Procesverloop

In het besluit van 12 juni 2020 (primair besluit) heeft het college van eiseres over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020 een bedrag van € 2.145,82 netto aan bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) teruggevorderd.
In het besluit van 28 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het te laat is ingediend.
2. De rechtbank vindt dat het college dat terecht heeft gedaan. Eiseres heeft op 29 april 2021 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 juni 2020. Dat is na het verstrijken van de voor het maken van bezwaar geldende termijn. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. De rechtbank heeft geen omstandigheden gevonden op grond waarvan sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. Voor zover eiseres tot het tijdig indienen van een bezwaarschrift psychisch niet in staat was, omdat zij destijds volledig in de war was als gevolg van een aantal omstandigheden, waardoor ze niet in staat was om haar gedachten op te maken of om ergens een beslissing op te nemen, zoals zij in bezwaar heeft betoogd, merkt de rechtbank op dat zij deze stelling niet nader heeft geconcretiseerd, noch met stukken heeft onderbouwd.
3 Het college is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat het bezwaar niet-ontvankelijk was vanwege onverschoonbare termijnoverschrijding.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.