ECLI:NL:RBDHA:2023:2799

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2023
Publicatiedatum
8 maart 2023
Zaaknummer
NL23.5539
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 5.1b lid 2, 3 en 4 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring vreemdeling en toetsing aan Unierecht

Eiser, een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit, is op 22 februari 2023 de maatregel van bewaring opgelegd wegens risico op het onttrekken aan toezicht en onvoldoende medewerking aan identificatie en terugkeer. Eiser betwist de gronden van de maatregel niet, maar voert aan dat de maatregel in strijd is met het Unierecht en dat geen lichter middel is toegepast.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn medische klachten niet heeft onderbouwd, waardoor geen reden is om hiervan bij de maatregel rekening te houden. Ook is vastgesteld dat eiser niet in de gelegenheid is gesteld zijn paspoort te tonen, maar zijn broer wel, die dit niet heeft overlegd. Hierdoor is het aannemelijk dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken, wat de maatregel rechtvaardigt.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel en constateert geen onregelmatigheden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.5539

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend het beroep schriftelijk te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek op 28 februari 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1977 en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat in het belang van de openbare orde er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb, [2] als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden waarop de maatregel berust niet heeft betwist. De onbetwiste gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en deze kunnen de maatregel van bewaring reeds dragen.
Unierecht
4. Eiser voert in de gronden van beroep aan dat de maatregel van bewaring in strijd is met het Unierecht. Eiser stelt medische klachten te hebben waarmee geen rekening is gehouden bij de oplegging van de maatregel.
5. Nu uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij medische klachten heeft en hij verder deze klachten ook niet nader heeft onderbouwd, heeft verweerder hier terecht geen rekening mee gehouden bij de oplegging van de maatregel. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Unierecht.
Lichter middel
6. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd. Eiser meent dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn paspoort te presenteren bij de AVIM.
7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het digitale dossier blijkt dat de broer van eiser in de gelegenheid is gesteld eisers paspoort naar het AVIM te brengen. Als het paspoort zou worden gebracht, zou er bekeken worden om eventueel een lichter middel op te leggen. Nu het paspoort niet is overgelegd door de broer, noch door eiser zelf, is dit voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder had dan ook niet hoeven volstaan met een lichter middel.
Ambtshalve toets
8. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij, nu zij gehouden is de maatregel van bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te beoordelen, [3] geen onregelmatigheden heeft vastgesteld bij de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring die leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit.
3.Zoals is bevestigd door het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C704/20 en C-39/21.