ECLI:NL:RBDHA:2023:3010
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld
Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, was gehuwd en verkreeg op grond daarvan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Na het beëindigen van de relatie en het starten van een echtscheidingsprocedure, verzocht zij om wijziging van haar verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden, hetgeen werd afgewezen door verweerder. De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat huiselijk geweld binnen het huwelijk heeft plaatsgevonden en dat dit heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie.
Verweerder baseerde zijn besluit mede op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, waaronder het niet in behandeling nemen van de aangifte door de politie en het ontbreken van gegrond beklag. Ook de door eiseres overgelegde medische verklaring en foto’s boden onvoldoende concrete aanwijzingen. De rechtbank onderschrijft dat de tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van onderbouwing in bezwaar een zwaarwegend argument vormen.
Daarnaast faalt het beroep op schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat eiseres niet voldoende sociale banden met Nederland heeft opgebouwd om het beëindigen van haar verblijf als disproportioneel te beschouwen. Het bezwaar over het niet horen van eiseres wordt eveneens verworpen, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het af.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning op humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.