ECLI:NL:RBDHA:2023:3016
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen ophouding vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet 2000
Eiser, met de Oezbeekse nationaliteit, is op 24 januari 2023 opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat zijn identiteit, nationaliteit en verblijfstatus al tijdens het strafrechtelijke traject waren vastgesteld. Tevens voerde hij aan dat het proces-verbaal van ophouding pas later was ondertekend en dat er geen beëdigde tolk was gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat de identiteit en verblijfsstatus niet definitief vaststonden op het moment van ophouding, waardoor de grondslag van artikel 50, tweede lid, terecht was toegepast. Het later ondertekenen van het proces-verbaal vormde geen gebrek en het ontbreken van een beëdigde tolk tijdens de ophouding was niet relevant omdat eiser niet werd gehoord tijdens de ophouding zelf.
De rechtbank beperkte zich tot de rechtmatigheid van de ophouding en liet de beoordeling van het terugkeerbesluit en inreisverbod buiten beschouwing. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.