ECLI:NL:RBDHA:2023:3234
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beroep tegen terugvordering huurtoeslag wegens inkomen inwonende zoon
Eiser heeft voor 2020 huurtoeslag aangevraagd en voorschotten ontvangen op basis van een geschat inkomen. De Belastingdienst heeft het definitieve recht op toeslag vastgesteld op nul vanwege een gezamenlijk toetsingsinkomen met zijn inwonende zoon, en het teveel ontvangen voorschot van €2.917 teruggevorderd.
Eiser betwist dat het inkomen van zijn zoon meegeteld mocht worden en klaagt over een onzorgvuldige hoorzitting. De Belastingdienst erkent een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, maar heeft dit hersteld door een tweede hoorzitting en een belangenafweging in het verweerschrift. De rechtbank oordeelt dat het inkomen van de zoon terecht is meegenomen en dat de belangenafweging voldoende is.
De rechtbank past artikel 6:22 Awb Pro toe om het motiveringsgebrek te passeren, omdat eiser niet is benadeeld. De terugvordering wordt niet gematigd omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het betaalde griffierecht wordt aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering huurtoeslag wordt ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht wordt aan eiser vergoed.