ECLI:NL:RBDHA:2023:3353
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten na intrekking asielbeschikking in voorlopige voorziening
Verzoeker, van Afghaanse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris op 28 november 2022 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 22 december 2022 werd het beroep en het verzoek behandeld. Vervolgens trok de staatssecretaris op 13 januari 2023 de asielbeschikking in en bood alleen vergoeding van proceskosten aan. Verzoeker trok daarop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in, maar verzocht wel om veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
De staatssecretaris stelde dat er geen grondslag bestond voor proceskostenveroordeling in de voorlopige voorziening omdat de gronden gelijk waren aan die van het beroep. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat vanwege de tegemoetkoming van de staatssecretaris in de bodemzaak de proceskosten van verzoeker in de voorlopige voorziening vergoed moeten worden.
De proceskosten werden vastgesteld op € 837,00 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, gebaseerd op één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.C. Verra en griffier L.E. Mollerus op 20 februari 2023. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van € 837,00 aan proceskosten van verzoeker.