Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 3 december 2022 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring. Verweerder hief de bewaring op op 19 januari 2023 en bood een schadevergoeding aan voor de periode van 19 december 2022 tot 19 januari 2023.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring tot 19 december 2022 in een eerdere uitspraak en concludeerde dat deze rechtmatig was. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna. Eiser betwistte het aanbod en stelde dat de bewaring vanaf 8 december 2022 onrechtmatig was vanwege onvoldoende voortvarendheid van verweerder.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 19 december 2022 onrechtmatig was en dat eiser onvoldoende had meegewerkt aan zijn uitzetting, wat mede leidde tot de vertraging. Er waren geen nieuwe feiten die een andere beoordeling rechtvaardigden. Daarom werd het door verweerder aangeboden bedrag van €3.100 aan schadevergoeding toegekend, evenals proceskosten van €837. Het beroep werd gegrond verklaard en de Staat veroordeeld tot betaling.