ECLI:NL:RBDHA:2023:3393

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 maart 2023
Publicatiedatum
16 maart 2023
Zaaknummer
NL22.20094
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a, eerste lid, sub b Vwartikel 8 EVRMartikel 6.5, vijfde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op opheffing licht inreisverbod wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, kreeg in 2019 een inreisverbod opgelegd vanwege het niet naleven van een vertrekplicht uit 2016. Eiser verzocht om opheffing van dit inreisverbod, stellende dat het inreisverbod strijdig is met zijn recht op familie- en gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro, omdat hij in Polen bij zijn partner wil verblijven.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en onvoldoende stukken heeft overgelegd om het bestaan van een gezinsleven aan te tonen. Tevens is vastgesteld dat eiser sinds oplegging van het inreisverbod het grondgebied van de EU niet heeft verlaten, waardoor de termijn van het inreisverbod nog niet is aangevangen.

Daarnaast is geoordeeld dat er geen sprake is van schending van de hoorplicht in bezwaar, aangezien tegen het bestreden besluit geen bezwaar mogelijk was. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.20094

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2016 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgereikt.
Bij besluit van 9 januari 2019 heeft verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, sub b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Bij besluit van 3 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL22.20094) ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1956 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft meerdere aanvragen voor verblijfsvergunningen in Nederland gedaan, maar tot op heden nooit rechtmatig verblijf gehad. Verweerder heeft in 2019 een inreisverbod aan eiser opgelegd, vanwege het niet voldoen aan de vertrekplicht van in 2016 opgelegd terugkeerbesluit. Eiser wenst momenteel verblijf in Polen bij zijn partner. Eiser stelt in Polen geen verblijfsvergunning te kunnen krijgen vanwege het inreisverbod.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser voert aan dat verweerder - op grond van zijn eigen beleid [1] - het inreisverbod ten onrechte niet heeft opgeheven vanwege de bijzondere feiten en omstandigheden van het geval. Tussen eiser en zijn partner is sprake van gezinsleven en het niet opheffen van het inreisverbod is daarom in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Ook had verweerder niet mogen afzien van de hoorplicht in bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Niet in geschil tussen partijen is dat eiser sinds oplegging van het inreisverbod het grondgebied van de Europese Unie niet heeft verlaten en de tweejaarstermijn van het inreisverbod daarom nog geen aanvang heeft genomen. Partijen twisten over de vraag of verweerder tot opheffing van het inreisverbod had moeten overgaan op grond van bijzondere feiten en omstandigheden, namelijk vanwege strijdigheid met het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
3.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geen aanleiding hoeven zien om het inreisverbod van eiser op te heffen wegens strijdigheid met het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Van familieleven in Nederland is niet gebleken. Eiser stelt in Polen familie- en gezinsleven te willen uitoefenen, maar heeft dit eveneens niet onderbouwd met stukken. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om het inreisverbod van eiser op te heffen wegens strijdigheid met artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
3.2
Tot slot oordeelt de rechtbank dat van schending van de hoorplicht in bezwaar in dit geval geen sprake kan zijn, nu tegen het bestreden besluit geen bezwaar mogelijk was. Niet valt daarom in te zien waarom deze beroepsgrond door de gemachtigde is aangevoerd, daar zij met het instellen van rechtstreeks beroep bij de rechtbank in ieder geval impliciet te kennen heeft gegeven op de hoogte te zijn van het ontbreken van een bezwaarfase. Deze beroepsgrond slaagt kennelijk niet.
Wat is de conclusie?
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie paragrafen A4/2.5 en A4/3.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), in samenhang met artikel 6.5, vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.