ECLI:NL:RBDHA:2023:3398

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 maart 2023
Publicatiedatum
16 maart 2023
Zaaknummer
NL22.18588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit met proceskostenvergoeding

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘humanitair niet tijdelijk’ en het opleggen van een inreisverbod van twee jaar. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij het bezwaar in Nederland kan afwachten.

Verweerder heeft zich niet verzet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening en stemde in met een uitspraak buiten zitting. De voorzieningenrechter heeft daarom het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek als kennelijk gegrond beoordeeld.

De voorzieningenrechter verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen totdat op het bezwaarschrift is beslist. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 837,-, en wordt verzoekster definitief vrijgesteld van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verzoekster mag niet uit Nederland worden verwijderd totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.18588

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘humanitair niet tijdelijk’ afgewezen. Ook is bij dit besluit een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan verzoekster opgelegd.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL22.18588) te treffen, zodat zij het bezwaar in Nederland mag afwachten.
Bij brief van 2 maart 2023 heeft verweerder aangegeven zich niet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening te verzetten. Bij dezelfde brief heeft verweerder aangegeven akkoord te zijn met uitspraak doen zonder zitting.
Verzoekster heeft hierop gereageerd en is ook akkoord met uitspraak doen zonder zitting.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verder achterwege blijft.
Het onderzoek is op 6 maart 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Bij brief van 2 maart 2023 heeft verweerder aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Nu tussen partijen niet in geschil is dat van uitzetting van verzoekster vooralsnog behoort te worden afgezien, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijke gegrond toe te wijzen en verweerder te verbieden verzoekster uit te zetten, totdat op het bezwaarschrift is beslist.
2. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde.
3. De voorzieningenrechter stelt verzoekster definitief vrij van het betalen van griffierecht. Er bestaat daarom geen aanleiding om vergoeding van griffierecht te gelasten op grond van artikel 8:41 van Pro de Awb.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen totdat op het bezwaarschrift is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag
van € 837,- (achthonderdzevenendertig euro);
- stelt verzoekster definitief vrij voor het betalen van griffierecht in deze voorlopige voorzieningenprocedure.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.