ECLI:NL:RBDHA:2023:3546
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland
Eiser, van Syrische nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland die niet in behandeling is genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, baseert dit op een verzoek tot terugname dat door Duitsland is geaccepteerd.
Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat hij in Duitsland is misleid en gedwongen vingerafdrukken heeft afgegeven, die volgens hem alleen voor strafrechtelijke doeleinden mochten worden gebruikt. Tevens stelt hij dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Duitsland en dat Duitsland een racistisch land is, waardoor Nederland zijn aanvraag alsnog moet behandelen.
De rechtbank oordeelt dat Duitsland verantwoordelijk is en dat verweerder uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De afname van vingerafdrukken is conform de Eurodacverordening en het feit dat eiser in Duitsland asiel heeft aangevraagd blijkt uit Eurodac. De stelling dat hij is uitgezet naar Tsjechië is onvoldoende onderbouwd. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening en de stelling dat Duitsland racistisch is, worden verworpen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.