ECLI:NL:RBDHA:2023:3634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2023
Publicatiedatum
21 maart 2023
Zaaknummer
NL22.24641
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod wegens verlopen visum

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van één jaar omdat zijn visum was verlopen. Hij was vanuit Nederland op weg naar Polen om een verblijfsvergunning aan te vragen, maar werd in Duitsland aangehouden en teruggestuurd met een Duits inreisverbod.

De rechtbank oordeelde dat het Duitse inreisverbod niet in de weg staat aan het Nederlandse inreisverbod, omdat het Duitse verbod nationaal is en het Nederlandse verbod voor de gehele EU, EER en Zwitserland geldt. Eiser maakte onvoldoende aannemelijk dat hij hierdoor onevenredig werd benadeeld.

Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder tijdens het gehoor voldoende gelegenheid heeft geboden om bijzondere omstandigheden aan te voeren, maar dat verweerder in het besluit onvoldoende is ingegaan op de door eiser genoemde individuele omstandigheden, zoals zijn verblijf bij familie en zijn verblijfplaats in Polen voor een verblijfsvergunning.

Dit motiveringsgebrek leidde tot vernietiging van het besluit, maar de rechtbank liet de rechtsgevolgen in stand omdat verweerder in het verweerschrift en tijdens de zitting alsnog voldoende gemotiveerd heeft waarom het inreisverbod terecht is opgelegd. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.24641
[v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1981, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Inleiding

1.1
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het aan hem uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod.
1.2
Verweerder heeft in het besluit van 16 november 2022 aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarbij hem wordt opgedragen het grondgebied van de EU, [1] de EER [2] en Zwitserland binnen 28 dagen te verlaten en zich te begeven naar Turkije, zijn land van herkomst. Volgens verweerder is gebleken dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft omdat zijn visum op 22 augustus 2022 is verlopen. In dit besluit heeft verweerder daarnaast een inreisverbod aan eiser uitgevaardigd voor de duur van één jaar. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zullen hierna tezamen worden aangeduid als het bestreden besluit.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, beide gemachtigden en [naam] , tolk in de Turkse taal.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze het beroep van eiser aan de hand van de argumenten die hij heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Is het aan eiser uitgevaardigde inreisverbod onevenredig?
3.1
Eiser voert aan dat verweerder jegens hem ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Het inreisverbod brengt namelijk onevenredig nadelige gevolgen voor hem teweeg. Vóór de uitvaardiging van dit inreisverbod was hem namelijk al een inreisverbod opgelegd door de Duitse autoriteiten. Het bestaan van twee inreisverboden naast elkaar is volgens eiser in strijd met het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel. Het inreisverbod is daarnaast onevenredig omdat eiser helemaal niet van plan was in Nederland te blijven. Hij was namelijk vanuit Nederland op weg naar Polen om een verblijfsvergunning aan te vragen. Hij is echter in Duitsland aangehouden en vervolgens teruggestuurd naar Nederland, waarbij hem door de Duitse autoriteiten ook een inreisverbod is opgelegd. Vervolgens is direct bij terugkomst in Nederland tegen hem opnieuw een inreisverbod uitgevaardigd. Nu eiser niet het doel had om naar Nederland te reizen, is de uitvaardiging van dit inreisverbod in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
3.2
De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten eiser, voordat het in geding zijnde inreisverbod tegen hem is uitgevaardigd, naar Nederland hebben teruggestuurd en daarbij een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen hem hebben uitgevaardigd. Uit het door verweerder overgelegde proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 22 februari 2023 volgt dat na navraag bij de Duitse autoriteiten is gebleken dat dit een nationaal inreisverbod betreft. Eiser is daarom niet door Duitsland in het SIS [3] geregistreerd als een niet tot het Schengengebied toe te laten vreemdeling. Er is aldus geen sprake van twee naast elkaar bestaande inreisverboden met dezelfde strekking: het Duitse inreisverbod verbiedt eiser immers enkel Duitsland voor een periode van twee jaar in te reizen, terwijl het in het geding zijnde inreisverbod geldt voor de gehele EU, EER en Zwitserland en een duur van één jaar heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bestaan van het Duitse inreisverbod maakt dat eiser door de latere oplegging van het Nederlandse inreisverbod onevenredig in zijn belangen is benadeeld. Verweerder heeft zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat eiser in Duitsland in rechte kan opkomen tegen het Duitse inreisverbod.
3.3
De rechtbank is verder van oordeel dat de omstandigheid dat het inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd toen hij werd teruggestuurd naar Nederland en hij op dat moment niet vrijwillig in Nederland verbleef, evenmin maakt dat hij door het inreisverbod onevenredig is benadeeld. Het aan eiser verleende Schengenvisum was immers al sinds 22 augustus 2022 verlopen, waardoor hij vanaf deze datum onrechtmatig in het Schengengebied verbleef. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser desondanks willens en wetens via Duitsland naar Polen wilde reizen en vervolgens door de Duitse autoriteiten naar Nederland is teruggestuurd, een omstandigheid is die voor eigen rekening en risico van eiser komt. Dat het voor eiser vanwege de oorlog in Oekraïne lang duurde voordat hij een afspraak in Polen kon maken voor een verblijfsvergunning, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van het inreisverbod af te zien?
4.1
Eiser voert verder aan dat verweerder tijdens het gehoor van 16 november 2022 over het terugkeerbesluit en het inreisverbod onvoldoende heeft doorgevraagd of aan de kant van eiser sprake was van bijzondere omstandigheden die aanleiding gaven van het inreisverbod af te zien, zoals zijn familieleven, zijn zakelijke belangen en zijn lopende vergunningaanvraag in Polen. Verweerder heeft zich daarnaast in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in deze zaak niet voordoen. Eiser beroept zich in dit kader op een volgens hem vergelijkbare zaak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 november 2022. [4]
4.2
De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser tijdens het gehoor over het inreisverbod onder meer heeft gevraagd of hij familieleden heeft die in de Europese Unie wonen, of hij in Nederland of elders in de Europese Unie zakelijke belangen heeft en of sprake is van medische omstandigheden die bij het nemen van het besluit moeten worden meegewogen. Ook heeft verweerder eiser de mogelijkheid geboden om andere bijzondere omstandigheden naar voren te brengen, waarop eiser heeft geantwoord dat daarvan geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser hiermee voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om bijzondere omstandigheden naar voren te brengen. De antwoorden die eiser in het gehoor heeft gegeven, hoefden verweerder verder geen aanleiding te geven daarop door te vragen.
4.3
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet deugdelijk gemotiveerd dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het inreisverbod zou moeten worden afgezien. Verweerder heeft in het bestreden besluit immers opgenomen dat door eiser geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd, zonder concreet op de door eiser gestelde individuele omstandigheden in te gaan. Hier was echter wel aanleiding toe, nu eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij drie maanden bij zijn oom en tante in Nederland heeft verbleven en dat hij van Nederland naar Polen onderweg was omdat hij daar een afspraak over een verblijfsvergunning had en hij vervolgens daarna naar Nederland wilde komen om hier te gaan werken. Het had op de weg gelegen van verweerder om gemotiveerd op deze omstandigheden in te gaan. Dat heeft verweerder niet gedaan. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek.
Conclusies en gevolgen
5.1
De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. [5]
5.2
De rechtbank ziet voorts aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dit betekent dat, hoewel het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het verweerschrift en op de zitting namelijk alsnog afdoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om af te zien van het inreisverbod. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.3
Eiser heeft tijdens het gehoor aangevoerd dat hij drie maanden bij zijn oom en tante heeft verbleven. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit niet als een bijzondere omstandigheid dient te worden aangemerkt die aan het opleggen van een inreisverbod in de weg staat. Verweerder heeft verder ook aan eiser kunnen tegenwerpen dat zijn zakelijke belangen in Nederland of elders in de Europese Unie evenmin als een bijzondere individuele omstandigheid kunnen worden aangemerkt, nu eiser hierover heeft verklaard dat het hem niet gelukt is om te werken in de Europese Unie omdat hem overal om papieren wordt gevraagd, en dat hij daarom juist naar Polen wilde gaan. Dat eiser eerst op de zitting heeft verklaard dat hij voor werk aanvankelijk naar Polen was gekomen en voor een Pools bedrijf vervolgens in verschillende Europese landen heeft gewerkt, maakt dit niet anders. Het gaat er immers om wat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard. Omdat eiser tijdens het gehoor verder geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eiser een inreisverbod heeft mogen opleggen.
5.4
Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 november 2022 leidt niet tot een oordeel, omdat geen sprake is van een vergelijkbaar geval. In die zaak stond immers vast dat de vreemdeling een eigen bouwbedrijf had en al bij verweerder een aanvraag had gedaan voor een verblijfsvergunning. Dat is in deze zaak niet het geval.
5.5
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met de uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Europese Unie.
2.Europese Economische Ruimte.
3.Schengeninformatiesysteem.
4.Zaaknummer: NL22.10492.
5.Algemene wet bestuursrecht.