ECLI:NL:RBDHA:2023:3678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
21 maart 2023
Zaaknummer
AWB 22/629
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 lid 5 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak na niet-ontvankelijkheid bodemzaak

Verzoekster, van Oekraïense nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid buiten behandeling gesteld. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.

Na het ongegrond verklaren van het bezwaar door de staatssecretaris, stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep in de bodemzaak niet-ontvankelijk, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening overbodig werd.

De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de bodemzaak niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/629
uitspraak van de voorzieningenrechter in het geschil tussen
[naam], verzoekster, overleden op [datum] , geboren op [geboortedatum] ,
van Oekrainse nationaliteit, V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. N.B. Swart), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit op 5 februari 2022 bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter op dezelfde dag verzocht om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 30 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer AWB 22/7644).
Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het verzoek van 5 februari 2022 gelijkgesteld met een verzoek dat is gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer AWB 22/7644, heeft de rechtbank beslist op het beroep in de bodemzaak waarover dit verzoek om een voorlopige voorziening gaat. De rechtbank heeft het beroep in de bodemzaak niet-ontvankelijk verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.B.A. Mensink, griffier en openbaar gemaakt op 21 maart 2023 door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.