ECLI:NL:RBDHA:2023:3695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
21 maart 2023
Zaaknummer
NL22.17672 en NL22.17676
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.30a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2003/109/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige wegens ontbreken ondernemersrisico en duurzame middelen

Eiser, een Egyptische nationaliteit houdende persoon met langdurig ingezetenenstatus in Italië, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' om schoonmaakwerkzaamheden uit te voeren. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk maakte dat hij als zelfstandige zou opereren met duurzaam en voldoende inkomen.

In bezwaar en beroep stelde eiser dat hij wel voldeed aan de voorwaarden, maar de rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk als zelfstandige werkt. De rechtbank stelde vast dat eiser feitelijk in een gezagsverhouding staat tot opdrachtgevers, betaald wordt per uur zonder investeringen of ondernemersrisico, en dat de contracten slechts korte duur en direct opzegbaar zijn.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de overgelegde stukken onvoldoende zijn om duurzame en voldoende middelen van bestaan aan te tonen, mede omdat er geen specificaties van gewerkte uren en vergoedingen zijn en het financiële plan niet onafhankelijk is gecontroleerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit na uitspraak in het beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.17672 (beroep) en NL22.17676 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Procesverloop

Bij het besluit van 17 juni 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.
Bij het besluit van 11 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL22.17672) ingesteld. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL22.17676) te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1979 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser heeft in Italië de status van langdurig ingezetene als bedoeld in de Richtlijn langdurig ingezetenen [1] . Eiser wenst verblijf in Nederland om als zelfstandig ondernemer schoonmaakwerkzaamheden uit te voeren.
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij aan de geldende voorwaarden [2] voor de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Eiser heeft volgens verweerder niet aangetoond dat hij met zijn werkzaamheden als zelfstandige duurzaam over voldoende middelen van bestaan zal beschikken. Met de aanvullende stukken in bezwaar heeft eiser dit gebrek volgens verweerder niet hersteld en daarom is de afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert in beroep - kort samengevat - aan dat hij wel degelijk met stukken heeft aangetoond dat hij met zijn schoonmaakbedrijf aan de geldende voorwaarden van de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Verweerder had zijn aanvraag dan ook moeten inwilligen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Arbeid als zelfstandige
4.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van werkzaamheden als zelfstandige. Zo blijkt uit de overgelegde gegevens niet dat eiser vrijheid heeft in de uitvoering van zijn werkzaamheden en dat eiser dus feitelijk in een gezagsverhouding tot zijn opdrachtgevers staat. Daarbij wordt eiser voor een vast bedrag per uur betaald. Ook blijkt uit de door eiser overgelegde stukken dat hij geen investeringen doet en dus geen ondernemersrisico loopt. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat de enkele voornemens tot het doen van investeringen zoals omschreven in het ingediende ondernemingsplan onvoldoende zijn om dit oordeel anders te maken.
Duurzame en voldoende middelen van bestaan
4.2
Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van de overgelegde stukken heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van duurzame en voldoende middelen. Verweerder heeft daarbij gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat slechts drie contracten zijn overgelegd en dat deze allemaal per direct opzegbaar zijn. Eiser heeft bovendien geen specificaties van de gewerkte uren en ontvangen vergoedingen voor deze opdrachten overgelegd en heeft daarnaast niet met stukken aannemelijk gemaakt dat uit de overgelegde contracten ook daadwerkelijk nieuwe opdrachten zijn voortgevloeid.
De stukken die eiser heeft overgelegd zien daarbij slechts op een periode van enkele maanden zodat op grond daarvan geen conclusies over toekomstige inkomsten gemaakt kunnen worden. Ten slotte heeft verweerder op grond van zijn beleid [3] mogen tegenwerpen dat het financiële gedeelte van het ondernemingsplan niet gecontroleerd is door een onafhankelijke derde. Dat de overgelegde aangifte omzetbelasting door ARA Finance is ingediend, is onvoldoende om op grond hiervan vast te stellen dat het financiële gedeelte van het ondernemingsplan dus ook door een onafhankelijke derde zou zijn gecontroleerd.
4.3
Verweerder is op juiste gronden tot de conclusie gekomen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij als zelfstandige duurzaam en voldoende middelen van bestaan zal verwerven en daardoor niet aan de gestelde voorwaarden van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ voldoet. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook mogen afwijzen.
Wat is de conclusie?
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van de vereiste connexiteit [4] .
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Voetnoten

1.Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
2.Zie art. 3.30a, eerste lid, onder b, en vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in samenhang met paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Zie paragraaf B6/4.5 van de Vc.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).